Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur
Zie ook een kaart van de Wildenborch (weblog op Cascade-website).
Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur
Zie ook een kaart van de Wildenborch (weblog op Cascade-website).
Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.
Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de landschapsstijl.
Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910
In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.
Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, (deel 1, 1995).
Ik las onlangs over zorglandgoed (een voormalige buitenplaats) De Lathmer in Wilp (Zorginstelling Zozijn). Op de website vond ik niets over de historie van deze buitenplaats. Misschien dat een korte groene historie van De Lathmer daarom hier wel op zijn plaats is.
Voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur‘ schreef ik in 1996 het volgende:
Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is te zien dat De Lathmer toentertijd te bereiken was middels een lange oprijlaan vanuit de richting van Voorst. Ten westen van het kasteelterrein lag een driehoekig perceel met sterrebossen. Ten oosten en ten westen van het huis lagen moestuinen en achter het huis, aan de overzijde van de gracht, was een groot rechthoekig weiland. Ook op De Lathmer had de aanleg in 1783 dus nog een regelmatige vormgeving, zoals op zovele andere buitenplaatsen, terwijl de landschapsstijl zijn intrede toch al had gedaan. Het terrein ten oosten van het huis was op dat moment waarschijnlijk nog niet ontgonnen. In dit gedeelte zijn op de kaart van landmeter De Man (1812) slingerende paden afgebeeld. Dit deel is dus tussen 1783 en 1812 in landschappelijke stijl uitgevoerd, waarbij een vierkant bouwland was uitgespaard. Vervolgens werd ook de verdere terreinaanleg in landschapsstijl veranderd, zoals blijkt uit de topografische kaart die verkend werd in 1865 (herzien in 1908). Het huis is dan omgeven door een min of meer slingerend grachtenstelsel. Achter het huis lagen moestuinen en een vijver en ten oosten van het huis is een klein landschappelijk park afgebeeld. In 1913 werd er een nieuw huis gebouwd door het architecten-bureau van de gebroeders Van Nieukerken.
Ontwerp tuinen en rosarium De Lathmer, L.A. Springer, 1913
De tuinen daaromheen werden ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer, die vaker met het bureau van Van Nieukerken samenwerkte. De tuinen liggen op het huisterrein, dat door een rechthoekig grachtenstelsel is omgeven. Ten oosten van het huis ontwierp Springer vier moderne geometrische bloementuinen en ten zuidwesten van het huis een rosarium. Uit de kasboeken van de firma Copijn te Groenekan blijkt dat zij in 1917 en 1918 bomen en heesters voor De Lathmer leverden. Hoewel de invulling van de verschillende tuinen is veranderd, is de structuur van de oude aanleg nog aanwezig. Het is ook bekend dat in 1954 het Tuinarchitectenbureau Buys-Meyers-Warnau op De Lathmer heeft gewerkt.
Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur, tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.
Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.
Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.
De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.
Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water, maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.
Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:
“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.
Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.
Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.
Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door burgemeester Bouwman.”

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht
Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.In aansluiting op de aankondiging van de tentoonstelling ‘450 jaar Bescherming Haagse Bos door de akte van Redemptie’ in Atrium Den Haag, ga ik hier nader in op de geschiedenis van het Haagse Bos (Haagsche Bosch), deels overgenomen van de tekst die wij schreven voor de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en landschapsarchitectuur’ (deel 3, 1998).
Op 16 april 1576 ondertekende Willem van Oranje de ‘Acte van Redemptie’ waarin werd bepaald dat niemand meer een boom mocht kappen in het bos en dat het bos niet verkocht mocht worden. Dit is het allereerste natuurbeschermingsmanifest van Nederland. De Acte van Redemptie is nog steeds van kracht. Toch heeft in de loop der eeuwen niet iedereen zich eraan gehouden….
Het Haagse Bos (eerder Haagsche Bosch of Hagerhout genaamd), is waarschijnlijk een restant van een middeleeuws binnenduinbos dat zich eens uitstrekte van ‘s-Gravenzande tot aan de Haarlemmerhout. Voor de graven van Holland was het een geliefd jachtterrein. In 1613 werd het bos opengesteld voor het publiek. Het tegenwoordige Haagse Bos ligt tussen het Malieveld, de Koekamp en het Huis ten Bosch.
Het Malieveld werd in de zeventiende eeuw aangelegd voor het maliespel, een soort golfspel.
De Koekamp is een weiland dat oorspronkelijk voor vee en later in de negentiende eeuw als dierenweide werd ingericht.
Huis ten Bosch werd vanaf 1645 gebouwd voor Frederik Hendrik door architect Pieter Post (1608-1669) en Jacob van Campen (1596-1657). Constantijn Huygens (1596-1687) gaf belangrijke adviezen. De eerste steen werd gelegd door Elisabeth Stuart van de Palts, de Winterkoningin.
Plattegrond Haagsche Bosch, 1645
In de beginperiode van de eerste formele aanleg wordt Meester-hovenier Borchaert Frederick genoemd als zijnde verantwoordelijk voor de moestuinen en parterres; hij was tevens tuinman op Huis Ter Nieuwburg.
P.C. La Fargue, 1778. Het Heerepad in het Haagse Bos
Het eerste groene ontwerp voor het Haagse Bos (in landschapsstijl) werd gemaakt door J.D. Zocher sr. in 1807. Dit werd echter niet uitgevoerd. Keizer Napoleon hechtte geen belang aan het bos. Hij liet het in 1812 in kaart brengen door A. van der Spuij, met de bedoeling elk jaar een tiende deel te laten kappen en na tien jaar de grond te verkopen. De Franse overheersing kwam echter ten einde en het bos bleef bestaan.
In 1819 gaf Koning Willem I aan A. van der Spuij, directeur van de Koninklijke Domeinen, de opdracht om waterwerken in het bos aan te leggen ter verbetering van de waterstand. Hierbij kwam de grote vijver tot stand. Achter deze vijver werd een waterval gecreëerd, die wegens gebrek aan niveauverschil bemalen werd door een paardenmolen. In deze tijd werd het bos gekarakteriseerd door schitterende gezichten over vijvers en bruggen, en door genoemde waterval en een Zwitserse brug.
I.I. Loke. Plattegrond van Haagsche Bosch, 1825, met wegen en paden en de grote waterpartij
In 1837 ontving J.D. Zocher jr. de opdracht om nog meer verfraaiingen aan te brengen en op verzoek van de Minister van Financiën werd weer vijftig jaar later in 1878 een beheerrapport over het Haagse Bos uitgebracht. De zoon van J.D. Zocher jr, L.P. Zocher, maakte toen als deskundige kweker en tuinarchitect deel uit van de commissie.
In 1899 werd het onderhoud van het bos overgedragen aan het pas opgerichte Staatsbosbeheer. In de Tweede Wereldoorlog richtte het aanleggen van de Atlantikwall veel schade aan het bos en de oorspronkelijke aanleg aan. Het graven van een tankgracht had tot gevolg dat de vijvers werden dichtgegooid en een groot deel van het bos werd gerooid. Na de oorlog is het hele terrein opnieuw ingeplant, met voornamelijk loofhout. In het voorjaar bloeien er veel stinseplanten waaronder bosanemoon.
Ter gelegenheid van de koperen bruiloft van Koningin Juliana en Prins Bernhard werd hen een geschenk door het Nederlandse volk aangeboden. Dit bestond uit het opnieuw aanleggen van de tuinen van Huis te Bosch (in historische trant), naar een ontwerp van J.T.P. Bijhouwer. De uitvoering vond plaats in 1949/1950. De laatste visie en beheersplan en detailontwerpen werden opgesteld in opdracht van Rijksgebouwendienst (1987-1996), door de tuinarchitect Michael van Gessel.
Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn. De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:
Doolhof
Labyrint
de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *
Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).
Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.
Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.
Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.
Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.



GETEKEND, DE NATUUR.
In het Centraal Museum Utrecht is een tentoonstelling te zien (t/m 29 maart 2026) over de relatie tussen mens en natuur, aan de hand van de particuliere collectie Munnicks van Cleeff. Deze bestaat uit ongeveer 1.500 landschapstekeningen en -prenten uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarvan zo’n honderd werken in de tentoonstelling te zien zijn. De collectie bevat gedetailleerde afbeeldingen van de provincie Utrecht en vormt een waardevol document voor de regionale geschiedenis.

Zo zijn er prenten te zien die bekende plekken als de Biltstraat in Utrecht afbeelden (van Dirk Verrijk), al zijn ze niet meer te herkennen: waar in de zeventiende eeuw nog akkers waren, is het nu volgebouwd. Naast tekeningen en prenten uit de Atlas zijn ook modernere tekeningen en prenten te zien, o.a. van onze voorvader Willem Maris (1844-1910, bekend van zijn koeien-schilderingen natuurlijk) en van de bekende Utrechter Peter Vos (1935-2010). Hier wordt een tekening van Peter Vos uit ons eigen bezit afgebeeld, die veel overeenkomst vertoont met een tekening van hem op de tentoonstelling.
Peter Vos, 1973. Part. Coll. Foto Carla Oldenburger
Opvallend voor mij is dat het onderwerp van deze tentoonstelling wordt gedefinieerd als “de relatie tussen mens en natuur, een levende geschiedenis”, terwijl mijn leermeester prof. Frans Verdoorn het begrip ‘biohistorie’ altijd uiteenzette met de woorden “relatie tussen mens, plant en dier in de loop van de cultuurgeschiedenis”. Het verschil is dat het begrip natuur veel omvattender is dan alleen plant en dier. De beelden in de tentoonstelling zullen dit hopelijk laten zien.
Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.
Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.
Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.
Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.
Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.
Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’. Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/