Samengesteld balkenplafond in de trouwzaal van het Oude Raadhuis te Rhenen, het nieuwe stadsmuseum
Mijn Monumentendag 2018 was heel verrassend. Natuurlijk was ik al veel vaker in Rhenen op Monumentendag door de stad gelopen. Bekend is dat de Delftse School het goed doet in onze stad, omdat Rhenen tot twee maal toe verwoest en herbouwd is als gevolg van de Tweede Wereldoorlog.
Maar vandaag stond in Rhenen niet de Delftse School centraal maar het nieuwe Stadsmuseum (in het Oude Raadhuis, gisteren voor een deel officieel geopend) en de tentoonstelling van de kaartencollectie van Henk Deys. Zeer de moeite waard. Prachtige Catalogus. Rhenen op de Kaart: De kaartencollectie van Henk Deys. (Publicatie bij de eerste tentoonstelling in het nieuwe Stadsmuseum Rhenen, 2018, 35 p.).
Opmerkelijk vond ik ook de plafondschildering in het Oude stadhuis, die is aangebracht op basis van vondsten tijdens de restauratie in 1967. Gestileerde ranken en bloemen in groen, oranjerood en oker doen in eerste instantie vermoeden dat we te maken hebben met een plafond uit de renaissance, maar men houdt het op een oorspronkelijk 19de eeuwse plafond in renaissance trant (zie eerste foto).
Naast het oude Raadhuis is een tuintje gelegen dat men via een poortje betreedt. Helaas is ook hier de buxus volledig aangetast door de buxus-mot (Buxus-rups). Niets aan te doen als het zover is als in deze tuin. Advies: alles eruit en (zoals in de tuinen van Het Loo) alles herplanten met Ilex crenata.
Tuinpoort naast Oude Raadhuis Rhenen, met sluitstuk mogelijk van het Koningshuis
Tuin bij Oude stadhuis Rhenen, aangetast door Buxus-rups
In tegenstelling tot de bouwfragmenten, die vandaag ‘onthuld’ zijn vóór het appartementencomplex Het Koningshuis, is het bouwfragment boven dit tuinpoortje hoogstwaarschijnlijk wèl afkomstig van het voormalige paleis van Frederik V van de Palts.
De fragmenten (twee voluten en twee wapenleeuwtjes) in het monument bij Het Koningshuis blijken bij nader inzien niet afkomstig te zijn van Het Koningshuis, maar waarschijnlijker van de Westpoort, die overigens vlakbij het Koningshuis stond. Zie de laatste tekening (detail) van Andreas Schelfhout (hieronder).
Andreas Schelfhout. De Westpoort te Rhenen. Ca. 1820. Collectie RKD. Detail. Twee voluten en twee leeuwtjes als decoratie van de westpoort en nu deel uitmakend van een monument vóór het aooartementencomplex Het Koningshuis
De Storkfabriek Hengelo is 150 jaar geleden opgericht door de Gebroeders Stork.
Tuindorp ’t Lansink werd later (1911-1916) voor het personeel gebouwd.
In 1968 bezocht Prins Bernhard de Storkfabriek
Tuindorp ’t Lansink is het eerste in Nederland uitgevoerde tuindorp en was vooral bestemd voor personeel van de Storkfabriek. Het moest een gevarieerde bewoning krijgen; niet alleen met arbeiders maar ook met administratief en leidinggevend personeel. Opdrachtgever was de in 1867 opgerichte Hengelose Bouwvereniging, die eigendom was van de gebroeders Stork.
Het plan werd in twee fasen ontwikkeld, in 1911 en in 1916. Het stedebouwkundige ontwerp was van de architect Karel Muller; de tuinarchitect P.H. Wattez ontwierp de landschappelijke inrichting. Het tweede deel werd in 1916 ontworpen door de tuinarchitect L.A. Springer. Karel Muller kreeg ook de opdracht om een reeks van verschillende woningtypen te ontwerpen met voldoende variatie in omvang, plattegrond en aanzicht.
Verschillende woningtypen. Ontwerp Karel Muller
Tuindorp ’t Lansink biedt een dorpsachtige en schilderachtige aanblik met in het midden een dorpsplein, het C.T. Storkplein. Rondom dit plein werden winkels en een hotel geprojecteerd. De dorpsachtige kleinschaligheid en het landelijke karakter van het tuindorp werden ideaal geacht voor de verheffing van de mens in het algemeen en die van de arbeider in het bijzonder. Dit te meer daar de werknemers van Stork veelal rechtstreeks van het platteland afkomstig waren. Tegelijkertijd kon door de geconcentreerde, dorpsachtige bebouwing voor een hoge bebouwingsdichtheid worden gezorgd, zodat de huren betaalbaar bleven.
Tuindorp ’t Lansink dorpsvijver
De smalle wegen lopen in flauwe bochten, zodat nergens lange eentonige straten zijn ontstaan. Het groen langs de straten wordt vooral verzorgd door de voortuinen bij de huizen. De huizen met hun tuinen zijn langs de buitenranden van de bouwpercelen gesitueerd en het relatief weinige openbare groen bevindt zich dan ook op de binnenterreinen met gazons, enkele solitaire bomen en heesters. Doordat er tussen de rijen huizen openingen zijn gelaten, spelen deze echter visueel toch een rol in het straatbeeld. Op kruispunten van wegen steken de woningen met hun witte kleur en hun torenachtige uitbouwtjes fraai af tegen het groen. De dorpsvijver met zwembad geeft een extra dimensie.
Duizenden historische luchtfoto’s van Nederland vrijgegeven
Foto: Technische Dienst Luchtvaartafdeeling
De foto’s moeten volgens het NIMH een “completer overzicht geven van hoe Nederland er in de jaren twintig en dertig van boven uitzag”.
Het NIMH stelde vorig jaar ook al duizend foto’s beschikbaar. De beelden zijn afkomstig van de Luchtvaartafdeeling, die de voorganger was van de Koninklijke Luchtmacht. Veel foto’s werden gemaakt tijdens militaire oefeningen of werden gebruikt om landkaarten te maken.
Van 166 foto’s is niet bekend waar ze zijn gemaakt. Het NIMH roept mensen op om te reageren en de locatie door te geven als ze hun huis of woonplaats herkennen. De foto’s kunnen onder meer bekeken worden op de beeldbank van het NIMH.
Detail plattegrond en plan tuin bij koetshuis van buitenplaats Spaarnberg te Santpoort. Speciale Collecties, Library Wageningen Universiteit & Research. 1909. Noorden Linksonder.
Het koetshuis en omliggend terrein van de buitenplaats Spaarnberg zijn verkocht. De nieuwe eigenaar heeft mooie plannen voor de verbouw en uitbreiding van het huis en het restaureren van de tuin (rijksmonument). In 1909 ontwierp Leonard Springer hier een rozentuin en hij verlegde de paden. Dit terrein is thans geheel met opschot overwoekerd en niet meer herkenbaar als tuin. De tuin ligt (zie detail van Springers plan hiervoor) in een slinger van een waterpartij, die ontworpen werd door J. D. Zocher jr vanaf 1835. Het plan is nog niet goedgekeurd, maar het onderzoek werd al wel door ons bureau gedaan en het advies gegeven. We wachten met spanning af.
Portret Raden Saleh, tegenwoordig toegeschreven aan Friedrich Carl Albert Schreuel. Rijksmuseum Amsterdam
Al zoekend op Internet naar een foto van het interneringskamp St. Vincentius in Jakarta, kwam ik een paar mooie foto’s tegen van het landhuis van de kunstschilder, ‘Oosterse prins’ Raden Saleh, o.a. bekend als hofschilder van de Oranjes.
Toen in cultuurhistorische kringen de laatste jaren belangstelling aan de dag werd gelegd voor historische tuinen in Ned. Indië en Indonesia, o.a. door een lezing van Leo den Dulk voor het Tuinhistorisch Genootschap Cascade, viel mij op dat er nog weinig bekend was over de geschiedenis van buitenplaatsen en paleizen in dit land. Misschien toch eens een uitgebreide studie waard.
Hieronder nu een prachtig plaatje van het landhuis van Raden Saleh in Menteng/Jakarta, tegenwoordig bekend als het ziekenhuis van Cikini. Helaas is er weinig van de tuin over. Ik herinner me van mijn bezoek enkele jaren geleden alleen nog maar geparkeerde auto’s op de plaats van de tuin, maar terugbrengen van deze tuin is natuurlijk altijd nog mogelijk.
Het prachtige huis van Saleh in Menteng, op Java. Litho naar een oorspronkelijke aquarel van J.C. Rappard, ca. 1882-1889. Foto: Hollandse Hoogte / Koninklijk Instituut voor de Tropen
Huis en tuin van het landhuis van Raden Saleh, naar men zegt door hemzelf ontworpen. Gebouwd in 1852 en vanaf 1898 gebruikt als ziekenhuis
Zaterdag 26 mei wordt in Frederiksoord een sterrebosdag gehouden.
Het programma ziet er als volgt uit (zie ook actieve festiviteiten aangekondigd op de poster hieronder):
14.30 uur Inloop en ontvangst
15.00 uur Aanvang programma
– Welkom Lotte Diephuis
– Boekpresentatie door Marijke van der Maarel en aanbieden eerste exemplaar.
– Muzikale intermezzo door Elisabeth de Charon de St. Germain (zang) en Eddy van der Maarel (piano)
– Gastspreker Carla Oldenburger-Ebbers “Wie weet nog wat een Sterrebos is?”
16.00 uur Informeel samenzijn en mogelijkheid boek te kopen.
Wanneer u aanwezig wilt zijn vragen wij u dit voor 16 mei kenbaar te maken door een email te sturen naar sterrebosdag@rondevanhet sterrenos.nl. Wilt u hierbij uw naam en het aantal personen aangeven? Dit in verband met de capaciteit van de zaal.
Indien u met de auto komt, deze graag parkeren bij het Huis van Weldadigheid, Majoor van Swietenlaan 1a.
Vorige week (24 oktober 2017) keek ik met veelgenoegen naar de TV-aflevering van ‘Het geheim van de Meester”, die dit maal het geheim achter het schilderij ‘Het Kamperhoofd en de Oude Waal’ (1874) van Claude Monet behandelde.
Het Kamperhoofd en de Oude Waal (Amsterdam). Coll. Van Gogh Museum
Bekend is dat Monet een aantal maanden van het jaar 1871 in de Zaanstreek schilderde. Als tuinhistoricus denk ik dan meteen aan de karakteristieke tuinhuisjes langs de Zaan en inderdaad ook Monet was daarvan onder de indruk getuige zijn schilderijen ‘Tuinhuizen aan de Achterzaan’ (Coll. Metropolitan Museum of Art); ‘Huizen aan de Achterzaan’; Tuinhuis aan de Zaan.
Tuinhuizen aan de Achterzaan. Coll. M.M.A. New York
Na zijn verblijf in Zaandam en omgeving, bracht Monet nog twee maal een bezoek aan Nederland. In 1874 verbleef hij in Amsterdam en in 1886 verbleef hij in Den Haag en schilderde bollenvelden nabij Rijnsburg en Sassenheim.
Bloembollenvelden bij Sassenheim. Coll. Clark Art Institute Williamstown (Mass.)
Dat Claude Monet de eerste impressionist wordt genoemd moge uit deze Nederlandse voorbeelden duidelijk zijn. Hij schilderde in Nederland ruim veertig schilderijen. Ik zou ze wel eens in een tentoonstelling allemaal willen zien.
St.Luciaklooster aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Kopie naar Le Long, Isaac. Historische beschryvinge van de Reformatie der stadt Amsterdam’. Amsterdam, 1729. Afgebeelde situatie anno 1544. Tekening Jacobus Stellingwerff (1667-1727). Noorden rechts beneden.
Het ANP Nieuws dat ik vandaag (11 okt. 2017) las luidt als volgt:
Citaat: “Vijf architectenbureaus buigen zich over de vraag of een verbouwing van de historische panden van Amsterdam Museum haalbaar is. Het museum en de gemeente Amsterdam selecteerden de bureaus uit zestien aanmeldingen.
De keuze is gevallen op de Neutelings Riedijk Architecten, Cruz y Ortiz Amsterdam, Felix Claus Dick van Wageningen Architecten en de combinaties Office Winhov/Inbo en AL_A/NEXT/1meter98.
Mocht een verbouwing inderdaad mogelijk zijn, dan gaat de opdracht ook naar een van de vijf gegadigden. In de loop van 2018 wordt duidelijk of de verbouwing doorgaat.
Weeskinderen
Doel van de eventuele verbouwing is Amsterdam Museum toegankelijker en inspirerend te maken, maar ook de rijke geschiedenis van het complex te belichten.
Het voormalige klooster aan de Kalverstraat kent een lange geschiedenis als Burgerweeshuis. Vanaf 1580 vingen regenten er weeskinderen van overleden Amsterdammers op.
Sinds 1975 is het Rijksmonument de thuisbasis van Amsterdam Museum, dat destijds nog het Amsterdam Historisch Museum heette”.
Einde citaat.
Het St. Luciaklooster
Het valt me op dat in de berichtgeving wel gesproken wordt over het voormalige weeshuis (sinds 1578), maar niet over haar voorganger in datzelfde gebouw, het Luciaklooster (sinds 1414). Hierover is in de tegenwoordige literatuur niet al te veel te vinden. Het werd voor het eerst genoemd in 1414. Het klooster was gewijd aan de Heilige Lucia, en werd aanvankelijk bewoond door ‘Zusters van het Gemeenen Leven”( Modrne Devotie), die zich in 1416 aansloten bij de Derde Orde der Franciscanen. Zij hadden een sterk verzorgende taak in de stad.
St. Lucia was ondermeer patroonheilige van de blinden en beschermheilige van zieke kinderen. Mogelijk hebben de kloosterzusters vanwege hun heilige taak zieke kinderen te beschermen bij de Alteratie in 1578 de stad gevraagd dit klooster tot weeshuis te bestemmen.
Sint Lucia door Francesco del Cossa, National Gallery of Art (Washington DC). Olieverf en bladgoud, iets na 1470. Beschemheilige van blinden en zieke kinderen.
Omdat deze weblog toch het liefst als hoofdthema het Groene Erfgoed wil behandelen, nog even iets over decentrale kloostertuin op de eerste hier afgebeelde prent. We zien hier dat de binnenhof of pandhof in twee delen is gedeeld en dat rondom de twee afzonderlijke tuindelen een pad loopt. Deze kruisgang of pandhof werd waarschijnlijk gebruikt als breviegang (waar de zusters tijdens gebed rond het centrale grasveld wandelden. Tegelijkertijd deden de twee tuindelen waarschijnlijk dienst als bleekveld en kerkhof. Het kleinere bleekveld lag langs de zuidvleugel van het klooster; het grotere veld langs de kerkmuur ving de meeste zon.
Na de Alteratie werd het gebouw in gebruik genomen door het BurgerWeeshuis.
In alle beschrijvingen uit de 17e eeuw wordt Amsterdam geroemd om zijn bomen. Als één van de eerste Europese steden werd vanaf het einde van de 16e eeuw op grootschalige en systematische wijze de boomaanplant ter hand genomen. Om een dergelijke operatie in goede banen te leiden werden vanuit stadswege houtvesters en stadsgaardeniers in dienst genomen om erop toe te zien dat alles goed verliep.
Voordat men overging op de systematische beplanting stonden er her en der in de stad losse bomen. Daarnaast stonden er bomen in de talloze kloostertuinen. Deze gang van zaken veranderde met de eerste grote stadsuitbreiding aan het einde van de 16e eeuw. De buitenkade van de stadssingel (het tegenwoordige Singel) werd toen met ‘blaeuwe arduyn-steen beleydt, en de straten met loof-rijcke linde-boomen beplant’. Vanaf die tijd werden op de kades van nieuw aangelegde grachten steevast bomen geplant. Harman Barentsz werd in het begin van 1600 benoemd tot opzichter van de stadswallen. Zijn hoofdtaak was toezicht houden op het hout dat op de stadswallen was opgeslagen. Zo moest hij de ‘walhuur’ innen en erop toezien dat verkocht hout binnen 24 uur van de wallen was gehaald. In het laatste punt van zijn instructie werd hij ook geordonneerd om ‘goede opsicht te hebben op alle geplante boomen deser stede, aengaende dat se niet gequest ofte geschoffiert en werden, zoveel hem doenlijk is’.
In de kloostertuinen stonden bomen, in tegenstelling tot de rest van de stad (1544).
Systematische boomaanplant tijdens de eerste uitleg. De toren linksonder is de Jan Rodenpoorttoren (1597).
Uit de stadsrekeningen valt op te maken dat de aanplant van bomen in het begin van de 17e eeuw in hoog tempo toenam. In 1610 werd 1817 gulden betaald voor de aanschaf van bomen en de kosten voor het planten. Het jaar daarop werd hier 573 gulden aan uitgegeven. Daarnaast werd in 1611 aan IJbrant Ben 300 gulden betaald voor de ‘coop ende tplanten van seckere boomen die montelbaensburchwall’ (Oude Schans). Gardenier Willem Jansz. kreeg ruim 42 gulden arbeidsloon voor het planten vande boomen op diversche plaetsen. Albert Lucasz. ontving 357 gulden voor het planten van bomen langs de ‘burchwallen dezer stede’. Bomen stonden niet als aparte rubriek in het stedelijk kasboek: de campagne om de stad te beplanten viel onder de ‘extraordinaris zaecken’. Pontanus beschreef in 1614 de bomen op de burgwallen als een betrekkelijk nieuw verschijnsel. De aanplant was nog jong: aan de grachten stonden ‘hier ende daer […] lustighe boomkens aen den cant van ’t water in bequame orden’, hetgeen leidde tot ‘groote vermakinge van den genen die daer voor by passeren’.
De Nieuwmarkt en de Kloveniersburgwal waarbij de systematische boombeplanting goed te zien is (1625).
Tijdens de derde uitleg, waarbij de grachtengordel en Jordaan werden aangelegd, vond de aanplant van bomen op grote schaal plaats. Niet alleen de luxe woongrachten werden van bomen voorzien maar ook de Jordaan. Daar werden alle grachten beplant behalve de Passeerder- en de Looiersgracht. Men zal op deze grachten af hebben gezien van beplanting gezien de beperkte levensvatbaarheid van de bomen door de verontreinigde industrie die aan beide grachten was gehuisvest. Ook de Goudsbloemgracht bleef boomloos door de zeer smalle kades die aan weerszijden van de gracht gelegen waren. Er was simpelweg niet genoeg ruimte om bomen te plaatsten. Niet alleen de nieuw gegraven grachten werden voorzien van bomen. Ook in de oude stad werd een inhaalslag gemaakt. Op de plattegrond van Balthazar Florisz van Berckenrode uit 1625 waren niet alleen de oude burgwallen beplant, ook de grachten in de Lastage en een deel van de kades op Uilenburg, Valkenburg en Rapenburg waren van bomen voorzien. Een opvallend verschijnsel is de beplanting op de Nieuwmarkt. De bomenrij markeert het oude tracé van de Sint-Anthonisbreestraat.
In 1621 werd Gerrit Gerritsz als nieuwe opzichter van de stadswallen aangesteld. Zijn instructie is exact dezelfde als de werkbeschrijving in 1600 voor Harman Barentsz., inclusief zijn naam. De schrijver was blijkbaar niet helemaal bij de les. In een keur van 1624 wordt gesproken over ‘twee commissarissen op ’t planten van bomen’. Onder het toezicht van deze commissarissen, ook wel houtvester genoemd, stond de stadsgaardenier. Op 16 januari 1627 werd een instructie opgesteld voor de stadsgardenier, Geurt Arentsz. genaamd. Hij had de zorg voor het planten, de instandhouding en verbetering van de stadsbomen, bijgestaan door zijn arbeiders. Daarnaast diende hij ervoor te zorgen dat de stadsstratenmaker op de hoogte werd gesteld als de gardenier ergens bomen zou gaan planten. De stratenmaker kon daarna ervoor zorgen dat ‘de straten terstont wederom aengevult ende gemaeckt worden’.
De stedelijke boomkwekerij bevond zich aan de Overtoom bij de Pestsloot. In het begin van de 17e eeuw werden voornamelijk linden geplant maar het aandeel van iepen werd in de loop van de 17e eeuw steeds groter. Iepen waren sterker, brachten meer schaduw teweeg en hadden een langere levensduur. Jonge bomen werden altijd voorzien van boomkokers of palen die de aanplant moest beschermen. Dit gold ook voor sommige volwassen bomen om ze te beschermen tegen aanrijdingen of vandalisme. Al die bomen diende niet alleen als sieraad voor de stad, er lagen ook praktische zaken aan ten grondslag. De boomwortels zorgden voor een stabiliserend effect op de kades. De grond tussen de wortels werd bijeen gehouden wat ervoor zorgde dat er minder materiaal wegspoelde. Dit verklaart tevens dat ook de Jordaan, waar esthetische overwegingen nimmer een rol hebben gespeeld in de stedelijke besluitvorming, van bomen werd voorzien. Daarnaast zorgden de bomen voor een aangenamer klimaat in de zomer. De bomen op het Singel waren geplant tot ciraat van de stad ende het schutten van de son. Op alle marktpleinen werden bomen geplant, niet alleen ten behoeve van het vee dat niet te lang in de zon kon staan, maar ook om bederfelijke producten uit de zon te houden. De marktmeester van de Reguliersmarkt (nu het Rembrandtplein) moest blijkens een keur van 24 juli 1669 erop toezien dat de marktkramers niet ‘de boomen aldaer staende te behangen, te besette of andersints […] te mishandelen’.
De kokers rondom de jonge bomen zijn duidelijk zichtbaar. In de gracht zwemmen twee stadszwanen, links is de hondenslager aan het werk.
Dat de overheid van Amsterdam van oudsher zeer gesteld was op haar bomen blijkt uit de lange lijst van keuren die opgesteld werden ter bescherming van de bomen. Op 12 april 1454 werd eenieder die ‘bomen opte vesten quest, scillet of scoffiert’ door het gerecht gevonnist met het verlies van de rechterhand of 20 pond boete. Op 11 april 1525 werd degene die ‘bomen ande veste oft anderssins binnen deser stede oft buyten inden vrijheyt staende queste, schilde off schoffierde’ openbaar gegeseld of moest een boete van zes pond betalen. Daarnaast klommen kwajongens in de bomen en smeerden de takken met vogellijm in om uilen en vogels te vangen. De kokers die om de jonge bomen werden geplaatst waren ook niet veilig voor enkele onverlaten in de stad. In een keur van 1631 werd de straf op het beschadigen of wegnemen van deze kokers verhoogd. Daarnaast werd de gardenier gemachtigd om boetes uit te delen. Blijkbaar hielp dit keur niet aangezien op 7 maart 1679 de straf opnieuw werd verhoogd. De heren van de Gerechte besloten dat ‘niemand sig hebben te vervorderen […] de kokers vande boomen af te rucken en weg te dragen op pene, […] sonder eenige verschooninge opentlick met geesselinge aenden lijve sullen werden gestraft’. Een geseling was geen pretje, toch werd op 2 juni 1684 een nieuwe keur uitgevaardigd om de bomenschenders aan te pakken: ‘Alsoo mijne heeren van den Gerechte der stad Amsterdam in ervaringe komen, dat, niet tegenstaende bij verscheide willekeuren, voor desen expresselijk ten dien eijnde gemaekt, verboden is eenige boomen te scheuren, ofte schenden, eger nog dagelijx veel menschen sig niet en ontsien de boomen soo in de nieuwe plantagie, als op andere plaetsen binnen deze stad ende de vrijheid van dien, te beschadigen ofte te verderven, t welk is streckende niet alleen tot vilipendie van de voorseide keuren, maer ook tot merkelijke ontcieringe ende nadeel vande stad’.
Iemand die het toch waagde om de stadsbomen ’t sij met schillen, snijden, afhouden, schudden, uittrecken, afbreken van de kokers ofte andersins moetwilliglijk te schenden ofte beschadigen’ liep het risico om zijn rechterhand kwijt te raken, openbaar gegeseld te worden of uit de stad verbannen te worden. Daarnaast werd in de keur een probleem aangehaald dat tegenwoordig ook nog steeds veel overlast veroorzaakt. ‘Ende dewijl de experientie leert, dat door de scherpheit van het water ofte pissen, de boomen seer beschadigt werden, en eijndelijk komen te versterven en uijt te gaen. Soo werd een iegelijk verboden sijn water tegen ofte aen eenige boomen te maken, op een boete van dertig stuijvers’.
In Amsterdam staan tegenwoordig ruim 75.000 iepen. Nergens anders in een andere Europese stad staan zoveel iepen als in Amsterdam. Hoewel de iepenziekte op de loer ligt, is de stad er alles aan gelegen om deze monumentale boom te behouden voor de stad. Het kan niet anders dat de grote waardering voor deze boomsoort ontsproten is uit de grootschalige boomaanplant in de 17e eeuw.
Bronnen uit het Stadsarchief Amsterdam:
5023.2.205 (1600)
5023.2.206 (1600)
5023.3.51 (16-1-1627)
5023.3.52 (16-1-1627)
5020.18.69 (2-6-1684)
5020.18.70 (2-6-1684)
Literatuur:
J.E. Abrahamse, De grote uitleg van Amsterdam, 2010.
L. van Nierop, ‘De houtvesterij’ in: Amstelodamum jrg. 48 (1961).(overgenomen van en met dank aan amsterdamsverleden.nl – Ilja Mostert).
Zie ook het bericht Gekokerde bomen, geplaatst op de Cascade weblog (cascade1987.nl/weblog)
Tent. Dom Hans van der Laan in deSingel in Antwerpen
Dom Hans van er Laan. Foto Frans de la Cousine
Komend najaar wordt in kunstencentrum deSingel in Antwerpen een grote tentoonstelling over de Nederlandse architect en monnik Dom Hans van der Laan georganiseerd. Met de expositie Een huis voor de geest wil het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) de theorie en praktijk van de invloedrijke architect tastbaar maken voor een breed publiek.
In de tentoonstelling zullen originele maquettes, modellen, meubels en tekeningen van Dom Hans van der Laan (1904-1991) te zien zijn, evenals projecten van oud-leerlingen zoals Jan de Jong. Het is voor het eerst dat zoveel archiefstukken uit Van der Laans oeuvre worden samengebracht, meldt het VAi.
Voor een groot deel is dit te danken aan de bereidheid van de monniken van de Abdij van Vaals, de beheerders van het Van der Laan-archief. “Dat zij zo veel vrijgaven is gerust uitzonderlijk te noemen en zal waarschijnlijk niet snel meer gebeuren”, zegt curator van de tentoonstelling Caroline Voet, architect en Van der Laan-expert.
Van der Laan heeft een vrij bescheiden, maar invloedrijk gebouwd oeuvre gerealiseerd. Wellicht van nog grotere betekenis is zijn theorie. Zijn traktaat De Architectonische Ruimte, met het plastisch getal als belangrijkste instrument, is het bekendst en vormde de basis voor de Bossche School. Daarnaast vormt het voor hedendaagse architecten nog een belangrijke referentie.
Schaal
Misschien wel het grootste verschil tussen van der Laan en zijn modernistische tijdsgenoten is de benadering van het begrip ‘schaal’, zegt het VAi. “Waar de modernisten het groots zagen en in stedelijke termen dachten, werkte Van der Laan aan een menselijke architectuur. Een architectuur die eerder horizontaal is opgevat dan verticaal, met dik metselwerk, klassieke kolommenreeksen, dynamische open perspectieven en een uitgesproken ritmiek. Niet voor niets noemde zijn biograaf Richard Padovan hem een ‘ modern primitive ’”, aldus het VAi.
Om alle archiefstukken in een passend decor te kunnen plaatsen, wordt de expozaal van deSingel flink onder handen genomen. “Om te beginnen zijn de verhoudingen van Van der Laan sterk voelbaar in de scenografie. De grote en hoge witte doos die de exporuimte van deSingel is, hebben we herleid tot een ruimte die meer beantwoordt aan de menselijke schaal die Van der Laans architectuur typeert”, vertelt curator Voet.
Bezoekers bevinden zich enerzijds in een open atrium waar hij zich kan vergapen aan de vele maquettes en 3D-objecten. Daarnaast kunnen ze zich letterlijk terugtrekken in een reeks intiemere nissen om de aanwezige documenten te bestuderen. Met zijn atrium en studiolo’s of cellen is de scenografie van ‘Een huis voor de geest’ in feite een knipoog naar de structuur van een basiliek, aldus het VAi.
Zintuiglijke architectuur
Naast zijn strakke verhoudingsleer was het scheppen van een bepaalde sfeer voor Van der Laan cruciaal. “Je kan Van der Laans werk het beste omschrijven als zintuigelijke architectuur, waar beleving centraal staat.” vertelt Voet.
In de tentoonstelling wordt daarom ruimte gegeven aan drie kunstenaars die werk tonen dat refereert naar het tactiele karakter van zijn oeuvre:
De Duitse fotografe Friederike Von Rauch toont een reeks foto’s die ze maakte naar aanleiding van een verblijf in de Abdij van Roosenberg.
Ingel Vaikla, een filmmaakster uit Estland, laat een ontroerend portret zien van de zusters tijdens hun laatste dagen in Roosenberg.
Esther Venrooy, een Nederlandse geluidskunstenares, ontwikkelde een soundscape die het leven in de abdij door middel van geluid weergeeft.
Van der Laan realiseerde vier kloosters en een woning. De abdij Roosenberg, die in het Vlaamse dorp Waasmunster is gelegen, vormt onderdeel van de tentoonstelling. Volgens Voet is dit gebouw nog altijd een goed bewaard geheim, maar ook het project waarbij Van der Laan zijn theorie ten volle heeft kunnen uitvoeren. Tevens is het een voorbeeld van hoe een gebouw dat in een religieuze context is ontworpen, kan worden aangepast voor andere doeleinden.
De abdij, die oorspronkelijk is gebouwd voor twaalf zusters en 25 gasten, wordt verbouwd tot een internationaal studiecentrum en onderkomen van de KU Leuven. Momenteel werken studenten van de Faculteit Architectuur aan een studie rond deze functiewissel. Het resultaat, in de vorm van maquettes en tekeningen wordt onder de titel ‘Singing Silence’ tentoongesteld in Abdij Roosenberg.
Opening 13 oktober
Deze kleine tentoonstelling, workshops met oud-leerlingen van Van der Laan en een reeks rondleidingen in en rond de abdij lopen gelijktijdig met de tentoonstelling in deSingel.
De expositie is van 13 oktober 2017 tot 14 januari 2018 te bezoeken. Ruim dertig jaar geleden, in 1986, was er ook een tentoonstelling over Van der Laan, die was meer gericht op een vakpubliek. In 2008 was in het toenmalig Nederlands Architectuurinstituut een tentoonstelling over Van der Laan te zien.
/ RONNIE WEESSIES Redacteur
Zie ook ons eigen werk m.b.t. Dom Hans van der Laan: www.oldenburgers.nl/dom-van-der-laan/