Categoriearchief: Groen Erfgoed

3. Begraafplaats Westerbork (Dr.)

3. Begraafplaats Westerbork

Dit Bericht maakt deel uit van een serie over begraafplaatsen,  omdat de Vereniging Terebinth wat extra aandacht verdient. Bestuursleden gevraagd! Tegelijkertijd willen we met enige berichten aandacht vragen voor onbekende begraafplaatsen en onbekende tuinarchitecten die begraafplaatsen vorm hebben gegeven. In dt geval gaat het nu eens niet om de tuinarchitecten Jan Zocher of Leonard Springer, maar om de Groningse tuinarchitect Jan Vroom Jr., (1893-1958 ), als ontwerper van de begraafplaats in Westerbork.

Ontwerp Begraafplaats Westerbork. Jan Vroom, 1946. Deze begraafplaats vertoont delen in landschappelijke stijl en geometrische stijl. Speciale Collecties WUR
Uitbreidingsplan begraafplaats Westerbork, schaal 1 : 500.
Jan Vroom, 1951. Speciale Collecties WUR
Jan Vroom jr. werd in 1893 geboren in Glimmen. Om zich te bekwamen in het familieberoep tuinarchitect volgde hij een opleiding aan de tuinbouwschool in Frederiksoord. Door een oogziekte van zijn vader moest hij deze opleiding echter al na een jaar afbreken om diens werk als tuinarchitect over te nemen. Om zeker te zijn van een tijdige levering van goed plantmateriaal begon Jan Vroom jr. in 1919 een eigen kwekerij, ‘Bonte Hoek’. Het werd nu ook mogelijk om de ontworpen tuinen in eigen beheer te gaan uitvoeren. Hij ontwierp vele particuliere tuinen en ook de groenaanleg bij een groot aantal inrichtingen, ziekenhuizen en bejaardenhuizen in geheel Nederland en hij werkte aan uitbreidingsplannen van diverse gemeenten, waaronder Stadskanaal en Drachten. Na zijn overlijden in 1958 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoons die het in 1968 opdeelden in kwekerij ‘Bonte Hoek’, uitvoeringsbedrijf ‘De Punt’ en ‘Tuin- en landschapsarchitectenbureau Vroom’ (opgeheven in het midden van de jaren ’80).
Het kamp Westerbork werd door de Nederlandse regering in 1939 gebouwd als Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork om Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. Ruim twee jaar na het begin van de Duitse bezetting, op 1 juli 1942, namen de nazi’s het kamp over, waarna Westerbork functioneerde als doorgangskamp.
Hoewel iedereen weet dat de meeste Nederlandse Joden via het doorgangskamp Westerbork werden vervoerd naar Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt en Bergen-Belsen, zijn er toch ook Joden begraven op deze gemeentelijke begraafplaats in Westerbork. 

1. Begraafplaats Zuilen (Haagweg) te Breda.

Omdat de Vereniging Terebinth zich in zwaar weer bevindt vanwege het ontbreken van bestuursleden (voorzitter, secretaris en penningmeester gevraagd) leek het ons bureau een goed idee juist nu wat extra aandacht te schenken aan  historische begraafplaatsen. De beschrijvingen zijn goeddeels overgenomen uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’ (4 delen, 1995-2000), grotendeels van eigen hand.
Begraafplaats Zuilen-Haagveld, Breda. ‘Eerste Begrafenis op de Katholieke Begraafplaats Zuylen’, geschilderd door Constant Huysmans, 1832; Origineel: Breda’s museum
De geschiedenis van de rooms-katholieke begraafplaats Zuilen loopt parallel met die van de naastgelegen hervormde begraafplaats Haagveld. Tegenwoordig vormen zij samen één complex met een crematorium. De voormalige buitenplaats Zuilen ligt in het gebied tussen Breda en het Liesbos dat in vroeger eeuwen een aantrekkelijke omgeving vormde om in de zomermaanden de stad te ontvluchten. In de zeventiende eeuw lag hier al een herenboerderij met de naam Suylen. De naam Haag of Hage, hetgeen op een groenaanleg duidt, kwam in die tijd ook al voor in het hier gelegen plaatsje Princenhage. Vermogende Bredanaars hadden langs de oude uitvalsweg richting Mastbos aanvankelijk boerderijen in bezit met herenkamers, dikwijls met bijbehorende nutsgronden en siertuinen met tuinkoepeltjes. Het gebied stond bekend om zijn tuinderijen, in het bijzonder vanwege de teelt van aardbeien en ander klein fruit. Later, in het begin van de negentiende eeuw na de vrede met België (1830), werden er ook veel kapitale villa’s gebouwd voor permanente bewoning. Deze waren vaak omgeven door parkachtige tuinen met Engelse bosjes en een landschappelijke vijverpartij. Namen van huizen uit die tijd, zoals Tuinzicht, Torenzicht, Huis ten Bosch en Lindenburg, illustreren het toenmalige karakter van een Arcadisch landschap met pittoreske doorzichten tussen monumentale boomgroepen. Soms werd in een hoekje van het park een particuliere begraafplaats ingericht. Hoewel dit niet vaak voorkwam, was ‘de dood’ als verschijnsel geen zeldzaamheid in een romantische parkaanleg. Een bemoste zerk, een gebroken klassieke zuil of een tombe met grafregels die de wandelaar aan de vergankelijkheid herinnerden, waren geliefde landschappelijke stijlmiddelen. De begraafplaats Zuilen is ontstaan uit een dergelijke particuliere begraafplaats. In 1826 en in 1829,  het jaar waarin het Koninklijk Besluit van kracht was geworden dat gemeenten met meer dan 1000 inwoners om hygiënische redenen een begraafplaats buiten de stadsgrenzen moesten aanleggen, werd de particuliere begraafplaats Zuilen aanmerkelijk uitgebreid met aangrenzende tuinen, waarop achtereenvolgens een rooms-katholieke begraafplaats (Zuylen of Zuilen) en een hervormde begraafplaats (Haagveld) werden aangelegd. Het geheel bleef het parkachtige karakter in de late landschapsstijl houden en zelfs twee tuinkoepels bleven lange tijd als onderdeel van de begraafplaats in stand. De oude oprijlaan naar Zuilen is nog altijd herkenbaar en de beuken op Haagveld dateren nog van vóór de aanleg van de begraafplaats. Duidelijk is het verschil in sfeer tussen beide, met elkaar in verbinding staande, begraafplaatsen te ervaren. Het hervormde deel is soberder van sfeer, het rooms-katholieke deel heeft meer ornamenten. Op het rooms-katholieke deel ligt onder een onopvallende steen Louis Charles de Bourbon begraven, zoon van de Franse kroonpretendent, die volgens overlevering in Delft in het Kalverbos begraven ligt. Op het protestantse gedeelte is het gietijzeren monument van Cornelis Jan Wouter Nahuys heer van Burgst uit 1831 het meest opvallend. Het is het oudst bewaarde graf en gedecoreerd met natuurkundige instrumenten die verwijzen naar zijn liefhebberij als amateur-natuurkundige. Evenals veel villa’s in de omgeving is het monument uitgevoerd in neoclassicistische stijl. De combinatie van late landschapsstijl met neoclassicistische architectuur behoort tot de stijlperiode die zijn hoogtepunten beleefde onder de tuinarchitect J.D. Zocher jr. De witte architectuur stak helder af tegen het decor van groen gebladerte en moest een sfeer oproepen als in de landschapsschilderingen van kunstenaars als Claude Lorrain en Nicolas Poussin. Door verdichting is de romantische sfeer van de begraafplaatsen deels verloren gegaan. In 1933 werd de verwaarloosde tuinkoepel en in 1970 ook de kapel afgebroken. Op Zuilen is sinds de jaren zeventig ook een crematorium ingericht naar ontwerp van architect Van den Miracker. Dit luidde een nieuwe uitbreiding met urnenvelden in. In een hoek aan de Ettense Baan ligt een Poolse erebegraafplaats. Het verscholen graf op de hervormde begraafplaats tegen de heg waarop ‘Vincent van Gogh’ staat, is niet dat van de beroemde schilder, maar van zijn grootvader, predikant in de grote kerk van Breda. De oom van Vincent van Gogh ligt verderop in een grafkelder, een duurder klassegraf.

Wat betekent dat: “Natuurherstelwet aangenomen door Europees Parlement”?

 


Vervuiling vanuit de Noordzee

De inhoud van de EU-regels voor natuurherstel ziet er in het kort als volgt uit:

Vooruitstrevend Nederland heeft de (toegegeven, wel enigszins afgezwakte) wet met gejuich ontvangen -men spreekt in deze kringen van een groene en gezonde toekomst -; Conservatief Nederland noemt de EU-regels voor natuurherstel nog steeds te star, te eenzijdig en te ingrijpend. Hun mening is dat veel gebieden op slot zullen gaan, ten koste van voedselproductie, woningbouw en zelfs verkeersveiligheid.”

De mens zal bewuster met de natuur moeten gaan samenleven. De wet vraagt 30% van de gedegradeerde ecosystemen te herstellen tegen het jaar 2030 (denk aan schonere energiebronnen, schonere uitstoot van fabrieken en auto- en vliegverkeer, schonere uitstoot in de land- en tuinbouw); 10 % van de steden groener te maken (vooral meer bomen, waterberging, stadsparken, gevel en dakvergroening,  en minder verhardingen tegen 2050); (zie verder onder foto)

Aeres Hogeschool te Almere. Gevelbeplanting. Uitvoering Van Ginkel Groep

rivieren vrijer te laten stromen (denk aan de wateroverlast in Limburg); bijen- en vlinderpopulaties weer op pijl te brengen (is dat in 2030 gelukt door toename van biodiversiteit); 30% van drooggelegde veengronden weer te herstellen (te verlaten) tegen 2030 (70 % tegen 2050), zodat minder broeikasgassen vrijkomen; en bossen robuuster te maken door bossen te verbinden en te doen herleven, door meer dood hout te laten liggen en te streven naar een verantwoorde mix van jonge en oude bomen, om zo meer koolstof vast te leggen.

Als ons dat gaat lukken, en we beginnen toch allemaal heel langzaam aan van deze wet doordrongen te raken, zal een schone en gezonde toekomst voor de generaties die na ons komen gloren aan de horizon.

Ons bureau ‘Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven’ probeert zich al jaren aan deze regels voor natuurherstel en samenleving met de natuur te houden. Een mooi voorbeeld is het project waarmee we nu bezig zijn: Waardestelling van Kasteel Vliek te Ulestraten, waar de ‘Vliekerwaterlossing’ de hoofdrol speelt. (Rapport nog niet verschenen). Zie verder ook Bericht 26 januari 2021: ‘Duurzaamheid voorop, ook bij renovatie van historische tuinen’.

Nu de natuurherstelwet is aangenomen zie ik opeens veel helderder de relatie tussen duurzaamheid, milieu, inheemse beplantingen en groen erfgoed en tussen historie en ecologie (genius of the place). De wet vraagt ons in ieder geval bij elke (ontwerp)beslissing goed na te denken over de gevolgen  in het kader van herstel van de natuur. Daarbij zal ook gepaste creativiteit een belangrijker plaats gaan innemen in onze planvorming.

Op zoek naar de monumentale en/of waardevolle bomen van Edam


Edam, Vestingwal. Foto Wikipedia

Zoals in het vorige bericht vermeld, heeft de gemeente Edam-Volendam voor beide kernen een Lijst van monumentale en/of waardevolle bomen Edam-Volendam opgesteld. Deze lijst bevat o.a. bomen op de rijksbeschermde omwalling van Edam (Westervesting, Noordervesting, Oosterkade, Baandervesting en Zuidervesting), Van de bomen langs de havens zijn maar drie  bomen langs de Voorhaven als monumentaal/waardevol aangemerkt, een kastanje op gemeentegrond, en een bruine beuk en een gewone kastanje op   particuliere grond.

De bomen die op de lijst monumentaal/waardevol worden genoemd zijn: Aesculus hippocastanum (Gewone Paardenkastanje) op de Zuidervesting en enkele op de Noordervesting; Aesculus hippocastanum ‘Baumannii’ (Dubbelbloemige Paardenkastanje) op de Oosterkade en de Zuidervesting; Fagus sylvatica ‘Atropunicea’ (Bruine Beuk) op de Noordervesting; Fagus sylvatica ‘Purpurea Pendula’ (Bruine Treurbeuk), 1 exemplaar op de Zuidervesting; Fraxinus excelsior (Gewone Es) op de Baandervesting; Platanus x hispanica (Gewone Plataan) op de Baandervesting; Salix sepulcralis ‘Chrysocoma’ (Treurwilg) op de Baandervesting; Sophora japonica (Honingboom) 1 ex. op de Noordervesting; Tilia europaea (Gewone Linde) vele exemplaren en een enkele waardevolle op de Westervesting; Tilia cordata (Winterlinde of Kleinbladige Linde) 1 ex. op de Westervesting; Ulmus x hollandica (Hollandse Iep) 2 ex. op de Zuidervesting.

Het zijn alle bomen die in heel Europa voorkomen of cultivars die in Nederland vaak worden toegepast.

Na informatie bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed / RCE, blijkt mij duidelijk dat de Erfgoedwet geen individuele bomen beschermt. De bomen kunnen alleen als rijkmonument beschermd zijn als de hele aanleg is beschermd. Dat is dus het geval met de bomen op de wallen. In dit verband is het dus des te belangrijker dat de bomen langs de havens en eventueel op andere plaatsen buiten de wallen, goed en op tijd onderhouden worden, eventueel jaarlijkse inspectie.

Kennismaking met ‘het groen’ van Edam.

We bezochten deze week (27 juni 2023) met een delegatie van de Ver. Oud-Edam een oriëntatiebezoek aan ‘het groen’ van Edam. Dit stadje is natuurlijk beroemd geworden door de Edammer Kaas, maar betekent voor ons vooral een unieke monumentenstad.

De ‘groene monumenten’ (zoals begraafplaatsen, openbaar groen, vestingwerken) in Edam zijn slechts zeer summier beschreven en bieden daardoor geen optimale bescherming.

De redengevende omschrijving van de rijksbeschermde vestingwerken luidt: “Overblijfselen van de stadswallen: Wester-, Noordervesting, Klundert, Oosterkade, Baander- en Zuidervesting”. De ondergrondse muurwerken zijn hiermee wel beschermd, maar de bomen op de wallen zijn niet afzonderlijk beschermd.

De kleine Joodse begraafplaats langs het Oorgat is een gemeentelijk monument; maar het kerkhof gelegen rondom de Grote Kerk wordt in de monumentenbeschrijving van de kerk niet nader genoemd en krijgt  in de beschrijving van het Beschermd Stadsgezicht Edam alleen het bijvoeglijk naamwoord ‘kenmerkend’ mee, terwijl op de stadskaart uit 1743 dit kerkhof als ruimte al nauwkeurig staat aangegeven. Het kerkhof is met twee hoofdlanen kruisvormig ingedeeld en ligt voor een groot deel  langs de Noordervesting, die ter hoogte van de kerk geheel beplant is met bomen.

In de beschrijving van het Beschermd Stadsgezicht worden de bomen langs de havens (Achterhaven, Voorhaven, Nieuwe Haven) en op de rijksbeschermde vestingwallen (die ontstaan zijn tussen 1690 en 1718) wèl kort genoemd. Er wordt gesproken over twee rijen bomen (aan beiden zijden van de havens),  maar over de soorten en onderlinge afstanden wordt helaas niets naders gezegd.

In de Lijst monumentale en/of waardevolle bomen van Edam zijn tien jaar geleden 594 bomen genoteerd, waarvan 553 van de gemeente en 41 van derden. Anno 2023 zullen er wel enkelen verdwenen zijn.

Kaart behorend bij Beschermd Stadsgezicht. Edam, 1977

De kernstructuur van de stad wordt gevormd door de oude havens, van noord naar zuid de Achterhaven, de Voorhaven en de Nieuwe Haven, en daar weer ten zuiden van de Schuttersgracht. De havens zijn beplant met -aan beide zijden- bomen. Omdat de wallen rond de stad tussen 1690 en 1718 opgeworpen zijn,  is voor nadere bestudering een duidelijke stadskaart uit die periode of iets later als referentie te gebruiken, en dat is dan in dit geval de kaart van Isaak Tirion uit 1743. Daar staan ook de bomen op ingetekend, maar voor het verkrijgen van nadere gegevens (zoals bijvoorbeeld de destijds gebruikte onderlinge afstanden) is het aan te bevelen andere bronnen te raadplegen, zoals het handboek Den Nederlandsen Hovenier uit 1669.

Behalve ‘het groen’ kwamen we tijdens onze wandeling natuurlijk ook andere cultuurhistorische hoogstandjes tegen, zoals twee tuinkoepels langs de Nieuwe Haven en de oudste scheepswerf van Nederland, met een Wieringer Aak.

Deze koepels liggen in het kerngebied van het beschermd stadsgezicht, in achtertuinen van huizen aan de Lingerzijde. Ze zijn voorzover wij nu weten niet beschermd als rijks- of gemeentelijk monument, maar maken wel deel uit van het beschermde stadsgezicht, evenals een historische scheepswerf. Dit was een onverwachte interessante afsluiting van het bezoek.

Tuinhuis aan de Nieuwe Haven. Lingerzijde 33. Gebouwd als namaak-‘Turkse Tent’. Opdrachtgever William Pont, 1844. Foto Carla Oldenburger

Tuinhuis aan de Nieuwe Haven, Lingerzijde 39. Opdrachtgever William Pont, 1845. Foto Carla Oldenburger

Bovenstaande tuinhuizen  in de achtertuinen van huizen aan de Lingerzijde, langs het westelijk deel van de Nieuwe Haven. Foto Carla Oldenburger

Scheepswerf Groot.  Oudste historische scheepswerf van Nederland. In het water (Nieuwe Haven), ten oosten van de Kwakelbrug, ligt de Wieringer Aak 167. Foto Carla Oldenburger

Korte Impressie van Calorama (historische kwekerijgrond en buitenplaats) te Noordwijk

Korte impressie met enkele foto’s van MidSummerNight – viering 2023. Cascade te gast op de buitenplaats Calorama in Noordwijk. Zie eerdere aankondiging en literatuur in Bericht op deze website. We werden ontvangen in het koetshuis uit 1878., dat gebruikt wordt als vergader- en expositieruimte voor historische  automobielen.  Daar werd ons na afloop van de rondwandeling o.l.v. Peter Verhoeff, door de Stichting Calorama een uitstekende maaltijd geserveerd. Onze dank is groot.

Zie op de Cascade-website een uitgebreide foto-reportage.

Alle foto’s op deze website zijn gemaakt door Carla Oldenburger.

Huis (fundamenten 17de eeuw) met aangebouwde serres uit begin 20ste eeuw. 

Zij-aanzicht huis en achterzijde. Calorama Noordwijk. 

Peter Verhoeff van Bureau InArcadië vertelt over de geschiedenis van huis en park. 

Het eiland met duiventil.

Nieuwe duiventil op Calorama

Calorama. Duiventil en theehuis (beide nieuw) bij de vijver op Calorama

Calorama. Nieuwe Duiventil  en nieuwe brug naar eiland.

De kapel van Beeckestijn

De kapel van Beeckestijn wordt gerestaureerd door de Ver. Hendrick de Keyser

Kapel Beeckestijn zoals getekend op de kaart van architect J.G. Michael, 12.
Capel Beeckestijn zoals getekend op de kaart van architect J.G. Michael, 1772 

Ik ben zeer verheugd dat de kapelwoning van Beeckestijn wordt gerestaureerd. In 1975 maakte ik kennis met Beeckestijn, met huis en tuinen, omdat de Culturele Raad Noord-Holland en de gemeente Velsen mij als biohistoricus inschakelden bij het vernieuwen van de oostelijke voormalige moestuin. Het ging toen niet zozeer om een reconstructie van het tuinontwerp van die moestuin uit 1772, maar meer om een invulling met groenten en kruiden, die in 1772 in gebruik waren. Ik vond in dat verband in de Stadsbibliotheek van Haarlem de Catalogus Plantarum quarum usus in re medica horti medici Harlemensis, uitgegeven in Haarlem in 1784, met een voorwoord van W. Kent.

Na de jaren zeventig ben ik als groen-adviseur van de Culturele Raad NH lang bij de vernieuwing van de tuinen van Beeckestijn betrokken gebleven totdat de Vereniging Natuurmonumenten en de Vereniging Hendrick de Keijser aantraden als nieuwe eigenaren van resp. tuinen en huis. In het Jaarboek Monumentenzorg 1998 schreef ik een artikel als resultaat van mijn onderzoek en bemoeienissen, getiteld De Cascade-methode als waardestelling voor historisch groen. Case-study: Het ‘ideale’ Beeckestijn. Nu ik dit artikel herlees, zie ik (na 25 jaar) dat destijds nieuwe ideeën en gegevens (kijk niet alleen naar de ontwikkeling van huis en tuin, maar zoek ook in breder verband naar achtergronden die hebben kunnen bijdragen tot die ontwikkeling), zijn aanvaard en dat verheugt mij.

In verband met de bouwstijl van deze kapel, de neogotiek, is er veel over dit bouwwerkje te melden. Het zou het eerste neogotische gebouw in Nederland (kunnen) zijn, in het eerste park in landschapsstijl in Nederland. Maar ook J.H. Müntz  dingt dan mee. Wim Meulenkamp gaat over hem in het eerstvolgende nummer van het tijdschrift ‘Het Buiten’ een artikel publiceren.

Wij wensen de Ver. Hendrick de Keyser succes met deze belangrijke restauratie.

Rijksmuseumtuin en Richard Long

(tekst gedeeltelijk overgenomen van website Rijksmuseum):

“Voor de tiende editie van de jaarlijkse beeldententoonstelling heeft het Rijksmuseum de Britse kunstenaar Richard Long uitgenodigd. Zijn werk bestaat uit subtiele ingrepen in het landschap vaak gemaakt op de meest afgelegen plekken ter wereld. Nu zijn zijn werken gewoon te zien in de tuinen van het Rijksmuseum.

LOPEN LANGS LIJNEN

Long maakte voor het Rijksmuseum acht werken, waarvan zes nieuwe. Vier van zijn werken bestaan uit elementaire, abstracte vormen in gras. Door de natuurlijke groei van het gras wordt het contrast in de zomermaanden steeds groter. Na verloop van tijd verdwijnen de kunstwerken weer als ze worden opgenomen in de omgeving. Foto’s en teksten blijven dan de enige tastbare herinneringen aan dit werk. Met dit werk voor het Rijksmuseum keert Long terug naar hoe zijn carrière ruim 50 jaar geleden begon. In 1967 brak hij door met A line made by walking: een rechte lijn in hoog gras die ontstond door steeds opnieuw heen en weer te lopen.

K EIEN

Richard Long at the Rijksmuseum Amsterdam 2023

Naast de werken in gras, maakte Long twee monumentale stenen sculpturen voor het Rijksmuseum. Het zijn maaskeien die door de rivier naar de monding in de Noordzee zijn vervoerd. In de Voorhal zal een lange rivier van rode Indiase steen over het vloermozaïek van Cuypers te zien zijn.Een cirkel van verschillende gekleurde stenen vind je in het hart van het atrium. We raden je aan om dit werk ook van bovenaf te bekijken.”

Zover de tekst van het Rijksmuseum. Zowel buiten in de tuinen als binnen in de Voorhal van de Eregalerij bestaat het kunstwerk dus eigenlijk uit een samengaan van het werk van Long en het werk van Cuypers.
AANTASTING VAN BESCHERMD MONUMENT?
Richard Long at the Rijksmuseum Amsterdam 2023
Je zou je wenkbrauwen even kunnen ophalen, want je kunt je afvragen, worden de tuinen van Cuypers niet geschaad en is dit niet een aantasting van een beschermd monument? Eigenlijk wel natuurlijk, maar het is maar tijdelijk, en het levert een kunstwerk op dat vanzelf weer door de omgeving wordt opgenomen. Daarom is het volgen in de tijd wel zeer belangrijk, en raadt het museum aan ook het kunstwerk in de tuinen van boven te bekijken.
OMSCHRIJVING RIJKSMUSEUMTUIN IN HET MONUMENTENREGISTER
Voor de monumentenbeschermers onder ons haal ik hieronder (ter overdenking) nog even de inleiding van de beschrijving van de tuinen  uit het Monumentenregister aan: “Museumtuin met hekwerken en bouwfragmenten naar ontwerp uit 1884 van P.J.H. Cuypers. De nagenoeg symmetrische vorm van de omtrek van de tuin wordt in hoofdzaak bepaald door de situatie ter plaatse: begrensd door de Stadhouderskade, Hobbemakade, Hobbemastraat en Jan Luijkenstraat, en van noord naar zuid doorkruist door de Museumstraat. De tuin is aangelegd tussen 1884 en 1916, overwegend in een historiserende stijl waarin verschillende oud-Nederlandse tuinstijlen werden gecombineerd”.

Nut boven schoonheid of schoonheid boven nut?

Wat prevaleert in dit geval? Het openhouden van een zichtlijn tussen Huize De Tangh en de Rijn OF het aanleggen van een wijngaard op die zichtlijn, op de plaats van een vroegere tabaksplantage?

Boven: Tegenwoordige zichtlijn op Huize De Tangh vanaf de Utrechtsestraatweg. Het huis is nu nog zichtbaar -de wijnstronken zijn eind april geplant-, maar dat zal niet lang meer duren. Foto Carla Oldenburger, 2023

Vanmiddag (24 mei 2023) reed ik langs de Utrechtsestraatweg van Rhenen naar Amerongen. Je passeert dan het bijna 100 jaar oude Huize De Tangh even buiten Rhenen aan je rechterhand, terwijl je de zichtlijn -van het huis naar de Rijn- kruist. Aan je linkerhand is er dus zicht op de (uiterwaard van) Rijn.

Het huis is gebouwd in 1927 o.l.v. de Wageningse architect J.B. van der Haar, in opdracht van de eigenaar, destijds huisdokter van Rhenen, William Waller. Hij had de  bouwgrond al gekocht in 1920, om daar ter plekke een nieuw huis te laten bouwen in koloniale (Kaapse) stijl.

Boven: Zicht vanaf de Utrechtsestraatweg op (de uiterwaard van) de Rijn bijna dichtgegroeid. Foto Carla Oldenburger, 2023

Vroeger was de situatie anders, vooral een veel meer open zicht op de Rijn en grazende koeien in de voorweide (nog vaag te zien op de oude foto). Zie hieronder een archieffoto met zicht vanaf het terras voor het huis  op de Rijn.

De grond loopt af naar de Rijn, dus vanuit het huis zal de Rijn nog wel even zichtbaar blijven, maar vanaf de Utrechtsestraatweg opkijkend naar het huis, zal het zicht op het huis gedeeltelijk verdwijnen. Het huis en het landgoed zijn niet beschermd als rijks – of gemeentelijk cultuurmonument, maar zeker is dat het zicht op de Rijn wel een hele belangrijke rol gespeeld zal hebben bij het bepalen van de locatie voor de bouw van het huis. De “genius loci” is hier alles bepalend, en daarom is m.i. het aanleggen van een wijngaard op deze plaats geen goed idee geweest.

In 2020 is een boek over de geschiedenis van huis en landgoed De Tangh verschenen en historisch gezien heel terecht heeft dit boek de volgende titel meegekregen: Genius Loci. Landgoed De Tangh. Ontstaan en geschiedenis van een familielandgoed en buitenplaats in Rhenen op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug. Auteurs Stef van Doesburg, Ronald van Immerseel, Merel Haverman e.a.. Rhenen, 2020.

In vroeger tijden -zo is bekend, maar ik heb er geen archiefstuk van gezien- lag voor het huis een tabaksplantage. Dergelijke plantages waren een heel normaal verschijnsel in de hele omgeving en de “straatnaam” Plantage Willem III, iets verderop langs de Utrechtsestraatweg, herinnert daar nog aan. Het is wel aannemelijk dat er tijdelijk in de voorweide een tabaksplantage is geweest, maar een open weide voor het huis met grazende koeien of herten (denk aan Engelse landscape gardens in vorige eeuwen) zal het huis toch zeker een voornamer aanzicht hebben gegeven. Vandaar dat de laatste jaren de Lakenvelders in de voorwei een schitterend beeld opleverden en ik dat beeld liever in gedachten houd dan deze onlangs aangeplante zicht-verhinderende wijngaard.

 

 

 

 

 

Boven: Lakenvelders in de voorweide. Foto Carla Oldenburger, 2014

Het is erg jammer dat nog steeds niet bekend is of er een landschapsarchitect zich met deze aanleg heeft bemoeid. Ook is mogelijk dat William Waller, geholpen door de architect J. B. van der Haar, zelf de locatie van het huis heeft bepaald en de huisplaats op de zichtlijn heeft aangegeven. En de achtertuin (in formele stijl), met muurwerk tegen het wild en tegen de noordenwind (?) inclusief een rosarium zou misschien ook wel van zijn eigen hand kunnen zijn. Ik heb wel eens in een lezing voor de Historische Vereniging van Rhenen en Omstreken de naam van de lector Tuin-architectuur aan de Rijks Landbouw Hooge School (opvolger van Leonard Springer) in dit verband laten vallen als mogelijke ontwerper, omdat hij juist in tegenstelling tot Springer, graag in formele stijl werkte. Maar voorlopig zal het antwoord op dit raadseltje nog wel even onopgelost blijven.

 

Zijn naam is Hendrik Francois Hartogh Heys van Zouteveen (1870-1943), bekend in Wageningen en daarbuiten. Hij was o.a. een van de oprichters van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten in 1922. Volg de groene link hierboven voor zijn uitgevoerde werken, voorzover bekend.

U zult het al wel begrepen hebben. Als antwoord op de gestelde vraag in de titel, gaat mijn voorkeur uit naar “Schoonheid boven nut”. Dat zal het antwoord ook zijn van iedere tuinarchitect, als het gaat om een buitenplaats of villatuin, omdat een zichtlijn, gekoppeld aan de locatie van het huis,  primair en heilig is in een tuinontwerp.

Plattegrond van de buitenplaats Bosch en Hoven (1765?) met hermitage

In het Bulletin KNOB 120 (2021) 2,  is een interessant artikel te lezen over ‘hermitages’ (kluizenaarshutten), getiteld De architectuur en beleving van de hermitage (1770-1860): de hut, de heremiet(pop) en de hang naar eenzaamheid in de Nederlandse Landschapstuin. Auteurs Hanneke Ronnes, Wouter van Elberg en Merel Haverman. De vraagstelling wordt uitgebreid behandeld. Mij vielen enige details op , die ik tot heden niet zo duidelijk had opgemerkt.

Plattegrond van buitenplaats Bosch en Hoven. Toegeschreven aan J. van Varel, 1765. Hermitage binnen rode cirkel. (Noord-Hollands Archief)

In de Springer Collectie in Wageningen UR bevindt zich ook een afbeelding (zwart/wit foto) van boven afgebeelde kaart van Bosch en Hoven, en daarbij twee details, waarvan één met detail van het eiland met de hermitage.

                                       Detail met eiland en hermitage. 

Wat ik, door het vergelijken van deze twee afbeeldingen (de gekleurde uit het NH Archief en de zwart/wit foto uit de tijd van Springer) nooit eerder zo duidelijk had gezien (vergroot de zwart/witfoto door te tikken op groene ondertitel),  was dat een brug naar het eiland leidde en dat deze hermitage bestond uit een hutje, geplaatst in een duidelijk gemengd bosje met loofhout en een conifeer. Verder is het opvallend dat deze kaart uit 1765 dus naar we nu mogen aannemen, een van de allereerste hermitages in Nederland afbeeldt en dat de kaart zelf evenals de kaart van Beeckestijn (Velsen) een van de eerste Nederlandse tuinen in landschapsstijl afbeeldt, ook al is nog niet de hele buitenplaats in die stijl aangelegd. Op de stijl afgaande (geometrische hoofdtuin en details in landschapsstijl) zou je zelfs kunnen denken dat deze aanleg evenals die van Beeckesteijn ook door J.G. Michael is ontworpen.

Zo ging ik ook opzoek naar andere vroege miniatuur-afbeeldingen van hermitages, zoals op buitenplaats Soelen. Dat viel tegen. In een brief uit 1808 werd een inmiddels verdwenen hermitage, thans grafmonument, op de Essenheuvel vermeld, en daarnaast kersenboomgaarden en een essenbos. Er bestaat een kaart van de buitenplaats Soelen uit 1805, dus hier ook op zoek naar de hermitage op de Essenheuvel. De enige heuvel op Soelen ligt in het gebied van het vroegere Huis Aldenhaag, maar de kaart is of te kleinschalig of de hermitage is al in 1805 verdwenen. Ter controle werd ook nog even op de kadasterkaart (1811-1832) gekeken, maar zonder resultaat.

Huis Zoelen (aan het eind van de oprijlaan, in het midden) en Huis Aldenhaag (links van de ditel op de kaart).  1805

Kadasterkaart Aldenhaag, 1811-1832. Op deze kadasterkaart                   is te zien dat de hermitage op het eiland van Aldenhaag is verdwenen.Noorden links

Na deze speurtocht ga ik toch nog eens op zoek naar oude historische hermitages, met de lijsten uit het KNOB-artikel als uitgangspunt.

Met dank aan Jan Holwerda.