Categoriearchief: Tuinarchitectuur

De Wildenborch voor de verbouwing in 1847

Anonieme tekening van de Wildenborch. Eerste kwart 19de eeuw. Gelders Archief.
Omdat ik bovenstaande tekening toevallig tegenkwam en niet kende, heb ik mijn oude tekst van De Wildenborch  maar weer eens overgelezen en nu hier geplaatst. Ik heb de eer gehad de oude heer A. Staring eenmaal te ontmoeten en hij heeft mij toen veel over de geschiedenis van de Wildenborch verteld.
Ten zuiden van Lochem in de gemeente Vorden ligt de bijzonder waterrijke buitenplaats De Wildenborch. Het oorspronkelijke kasteel is in de veertiende eeuw in bezit van de heren van Wisch. De toegangspoort of toren dateert nog uit deze tijd. De twee woonvleugels dateren uit de achttiende eeuw. Bij de verbouwing van het huis in 1847 kreeg de toren zijn neoromaanse uiterlijk. In 1781 werd het huis gekocht door D.H. Staring (1736-1783), de vader van de dichter A.C.W. Staring (1767-1840), die van 1791 tot zijn overlijden in 1840 op De Wildenborch heeft gewoond. Behalve dichter was A.C.W. Staring ook jurist en ‘landbouwkundige’ (hij studeerde ‘landoeconomie’ en botanie in Göttingen), en hij heeft veel pogingen ondernomen om de Achterhoek te ontwikkelen. Daarbij heeft hij ook De Wildenborch niet vergeten. In 1809 werd ten behoeve van De Wildenborch een afwateringskanaal naar de Berkel gegraven. Hiermee werd de gehele streek afgewaterd. Ook de aanleg van een zichtkanaal, tevens karpervijver in de zichtas achter het huis, was zijn initiatief. Hierna is de landschappelijke aanleg ontstaan met slingerende grachtenstelsels – een vergraving van het dubbele grachtenstelsel uit de middeleeuwen -, bosaanplant en open weiden met solitaire bomen. In het park zijn in de loop van de tijd bijzondere bomen geplant, zoals een Libanon ceder, een Catalpa, een moerascypres en een Amerikaanse eik. De dichter Staring is zelf de ontwerper van deze unieke aanleg. Door de verschillende rondlopende waterpartijen is een aantal deeltuinen gevormd.
In 1931 heeft een nazaat van de dichter, de kunsthistoricus A. Staring (1890-1980), tuinen in moderne regelmatige stijl ingericht binnen de bestaande structuren. Enkele tuinbeelden versieren het park, onder andere twee vroeg achttiende-eeuwse sfinxbeelden bij de poort, afkomstig van de Keukenhof, en een beeldengroep voorstellende Apollo en Daphne.

Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur

Zie ook de kadasterkaart 1825, en een kaart van de Wildenborch uit 1828 (weblog op Cascade-website),  waarop delen van het park in landschapsstijl zijn te zien.

Plattegrond van de Wildenborch uit 1828, getekend door W. Staring (Winand of Willem?)

Buitenplaats Dickninge, gem. De Wolden (voorheen de Wijk)

Dickninge is een omgrachte bosrijke buitenplaats die sinds 1998 -na de gemeentelijke herindeling- behoort tot de gemeente De Wolden (Dr.). Eerder maakte ik een korte beschrijving van Dickninge, maar dat lag toen nog in de gemeente de Wijk, dus een update is wel gewenst. De buitenplaats strekt zich uit van het dorp de Wijk tot aan de Reest, die zelf weer de grens vormt met Overijssel.

Langs de rivier de Reest lag van 1315 tot 1602 een abdij, die bewoond werd door monniken en nonnen van de Benedictijner orde. De restanten van de abdij werden aan het eind van de achttiende eeuw gesloopt en op deze voormalige kloostergronden werd vanaf 1813 een buitenplaats aangelegd door de familie De Vos van Steenwijk. Godert Willem de Vos van Steenwijk (1747-1830) bewoonde toen het nabijgelegen Havixhorst. Hij kan de opdrachtgever van de  nieuwe buitenplaats Dickninge zijn geweest, waar later zijn zoon Reint Hendrik (1803-1866) komt te wonen. Wie als (tuin)architect is ingeschakeld is tot heden onbekend, misschien moeten we denken aan G.A. Blum, die veel in die contrijen heeft gewerkt. De aanleg van de buitenplaats vertoonde de kenmerken van de  landschapsstijl.

Ontwerp Huis Dickninge en omgeving door Leonard Springer, 1910

In 1910 ontwierp de tuinarchitect L.A. Springer binnen dit landschapspark een bloementuin in architectonische tuinstijl. Men zag graag in die dagen een in landschapsstijl aangelegd park, opgesierd met eenjarige cultivars in heldere kleuren en kunstzinnige patronen. Op een prentbriefkaart van Dikninge uit die tijd ziet men dan ook bloemenslingers in de gazons langs de slotgracht. Ten noorden van het huis worden de restanten van een achttiende-eeuws hakhoutbos bewaard. Jammergenoeg zijn de typisch begin twintigste-eeuwse bloemperken nu verdwenen. Een wandeling in het omliggende park en bos is echter wel de moeite waard. In het voorjaar bloeit er de holwortel of kloosterkruid. De naaste omgeving van het huis is niet toegankelijk.

L.P. Zocher worstelt met de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (1882)

 

Groningen, Eerste ontwerp uitbreiding Sterrebos met aansluiting op het oude sterrebos (onder), door Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, febr. 1882. Muziekkoepel en Buiten Sociëteit (ideeën van Zocher) niet uitgevoerd.  Schaal 1: 500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Thijs T. Boekema maakte mij attent op een artikel van zijn hand over park-ontwerpen van de Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher van de uitbreiding van het Groninger Sterrebos. Bij het opstellen van de Werkenlijst voor het Project Zocher online’ was ik wel het  project ‘Sterrebos’ tegen gekomen, het is ook genoemd in de Werkenlijst, maar bij onze navraag naar ontwerpen waren deze door de gemeente Groningen niet gemeld. Dit is dus een mooie aanvulling die in de uiteindelijke Zocher online -lijst uiteraard ook opgenomen zal worden.

Het Groningse Sterrebos in aangelegd in 1765. Dergelijke bossen hadden meer doelen dan een leuke ingenieuse aanleg alleen. Nu lijkt het alleen een puzzel van zichtlijnen die vaak eindigen bij een beeld of beeldengroep of fontein of waterkom. Maar oorspronkelijk had het stervormig patroon met kruisende verbindingslanen een functie als jachtbos voor klein wild. Jagers kruisten de lanen terwijl hazen of stonden op de middencirkel op de uitkijk terwijl  konijnen, patrijzen en fazanten werden opgejaagd. Het wild vluchtte over de lanen en de jagers wachtten tot het wild voorbij kwam. In de tweede helft van de 19de eeuw werden deze bossen niet meer aangelegd en kreeg men meer oog voor landschappelijk schoon. Om die reden werd Louis Paul Zocher (de firma heette nog J.D. Zocher en L.P. Zocher, maar vader Zocher was al overleden in 1870) door de gemeente gevraagd het sterrebos uit te breiden met een parkdeel in landschappelijke aanleg. Hij maakte een ontwerp met een grote vijver die qua stijl wel typisch Zocheriaans valt te duiden. Een vijver met een eiland en twee ‘wangen’ aan beide zijden, en daarbuiten een meelopend slingerend pad. De gemeente vond de vijver veel te groot, en vroeg Zocher een nieuw aangepast ontwerp te maken. Dit had ook te maken met de geplande watertoren. Het derde ontwerp (hieronder) werd uiteindelijk na Zochers weerwoord goedgekeurd. Zijn commentaar was: liever geen vijver dan een nog kleinere vijver.Toch keurde hij het derde ontwerp uiteindelijk goed. Inderdaad heeft de vorm van de vijver duidelijk aan originaliteit en Zocher-kenmerken verloren.

Sterrebos Groningen. Derde ontwerp Uitbreiding met aansluiting op het oude sterrebos (onder). Dit ontwerp voorziet in een afslanking van de groite vijver. Fa. J.D. Zocher en L.P. Zocher, 4 mei 1882. Met muziekkoepel en Buiten Sociëteit naar ideeën van Zocher, beide niet uitgevoerd). Schaal 1:500. Noorden beneden. Coll. Groninger Archieven

Het definitieve ontwerp is verloren gegaan, maar onderstaande kadasterkaart geeft toch een goed beeld uit het jaar 1884, toen het park werd aangelegd.

Kadasterkaart 1884, met ingetekend de uitbreiding van het Sterrebos in Groningen (Groninger Archieven) naar ontwerp van L.P. Zocher. I.t.t. de hierboven afgebeelde ontwerpen op deze kaart het  Noorden boven. Coll. Groninger Archieven

In 1883/4 werd het park uitgevoerd en Zocher is zeven maal naar Groningen gereisd voor het geven van adviezen tijdens de werkzaamheden. De beplanting werd geleverd door de eigen Boomkwekerij  Zocher & Co te Haarlem. Een lijst met geleverde bomen voor deze uitbreiding van het Sterrebos , gedateerd 29 maart 1883, wordt bewaard bij de Groninger Archieven.

Na de totstandkoming van dit nieuwe deel van het Sterrebos werd in tweede instantie eind 1884 besloten ook het oude sterrebos met zijn rechte lanen te verfraaien en een meer landschappelijke aanleg te geven met slingerlanen en gazons. Dit werd door de eigen dienst uitgevoerd en Louis Zocher kwam hier niet meer aan te pas.

Meer details zijn te vinden in het artikel van Thijs Boekema. Tussen schaduw en licht: Louis Paul Zocher en het sterrebos. Stad & Lande.Tijdschrift over geschiedenis en erfgoed in Groningen. JG. 34, nr.1 (2025), p. 35-41.

Met dank aan Thijs Boekema.

Firma Van Lunteren aan de voet van de DOM in Utrecht

Vanmiddag verschijnt het eerste uitgebreide boek over werken (architectuur,  tuinarchitectuur en kwekerij) van de familie Van Lunteren, geschreven door Dominique Vermeulen en onder redactie van Michiel Plomp. Met bijdragen van Dominique Vermeulen, Martijn Andela, Sandra den Dulk, Renske Ek, Merel Haverman, Ronald van Immerseel, Erik de Jong, Friso Lammertse, Pien Lammertse- Tjalma, Mirjam Lemmens, Michiel Plomp, Hanneke Ronnes, Peter Verhoeff en Wanda Waanders.

Hendrik van Lunteren (1780–1848) en zijn broer Dirk, Hendrik’s zoon Samuel Adrianus van Lunteren (1813–1877) en kleinzoon Isaäk Hendrik Jacob van Lunteren (1843–1921) vormden een bekende Utrechtse familie van tuin- en landschapsarchitecten en boomkwekers in Utrecht. We kunnen een prachtig en interessant boek verwachten met inzichtelijke beschrijvingen van vele nieuwe projecten. Een aanrader.

Wie na dit nieuwe boek nog meer wil lezen, zie hieronder twee bronnen die online te lezen zijn.

De eerste keer dat ik Hendrik van Lunteren beter leerde kennen was  bij de voorbereidingen van de ‘Bibliografie van plantencatalogi van onderwijstuinen, particuliere tuinen en kwekerscollecties in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1550-1839)‘. Wageningen, 1983. Onderzoek en teksten door J. Kuijlen, C.S.Oldenburger-Ebbers en D.O. Wijnands. Met begeleidende tentoonstelling.

Er kwamen toen drie catalogi van de kwekerij van Hendrik en Dirk van Lunteren boven water,  maar architectuur-kwaliteiten kwamen bij dit onderzoek eigenlijk niet ter sprake.

Dat gebeurde in 2010, toen ons bureau de opdracht kreeg te onderzoeken wat de karakteristieke kenmerken zijn van park Randenbroek in Amersfoort, waar Hendrik van Lunteren duidelijk zijn sporen heeft nagelaten. Zie ‘Park Randenbroek: cultuurhistorische inzichten en richtlijnen’. Amsterdam, 2010.

Hermen van Jan van Logteren te bewonderen op Lyndenstein te Beetsterzwaag

 

Jan van Logteren (1709-1745).  5 van de 12 hermen in de voortuin van Lyndensteyn, Beetserzwaag.  V.l.n.r. Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen, Boogschutter.  29 mei 2026 onthuld door burgemeester Bouwman

Wat zien we hier? Een groep beelden, zgn. hermen (een herme is een vierkante, taps toelopende zuil met daarop het hoofd of de buste van een god) om precies te zijn, in de tuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag. Hoe komen die beelden hier? Jelle Terluin (dé amateur historicus van Beetserzwaag) heeft me geholpen. Hij schrijft:

“Rijnhard baron van Lynden werd in 1782 grietman van Opsterland en trouwde met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Zij woonden in het grietmanshuis naast het Rechthuis en er tegenover liet Rijnhard een Franse tuin aanleggen, waarin drie rechthoekige vijvers waren gesitueerd, twee van 100 meter lang en er tussen een dwarsvijver met het beeld van Neptunus, dat nu nog in de landschapstuin van L.P. Roodbaard (1827) staat.

Ignatius van Logteren (1685-1732). Neptunus in de overtuin van Lyndenstein te Beetsterzwaag

Rijnhard liet achter het theehuis aan het einde van de tuin een dwaaltuin (een doolhof?) aanleggen met in het midden een vijver, wellicht rond van vorm. Er omheen liet hij 12 hermen opstellen, die de maanden van het jaar voorstelden, met de tekens van de dierenriem. Dit zal zo omstreeks 1785 zijn geweest.

Later, rond 1850, heeft zijn schoondochter, de weduwe van Frans Godard baron van Lynden, Cornelia Johanna Maria van Borcharen, de hermen geschonken aan de familie van Boelens in Olterterp, die de beelden verspreid door hun park lieten opstellen.

Het zal na 1900 zijn geweest, dat een beschonken man uit Beetsterzwaag 7 van de 12 beelden kapot heeft geslagen. De overige 5 zijn toen door de erven van de familie Van Boelens aan het Friesch Genootschap geschonken, die de beelden liet opstellen in het park achter Staniastate in Oenkerk. Toen in de jaren 60 van de 20ste eeuw dat landgoed werd verkocht zijn de beelden door het Friesch Genootschap teruggehaald naar Leeuwarden. Ze hebben een aantal jaren achter het Princessehof gestaan en daarna in depot gelegd, voor niemand meer te bewonderen.

Sinds enkele jaren heeft de Stichting Historisch Beetsterzwaag een goede band opgebouwd met het Fries Museum en zij zijn erin geslaagd om de beelden terug te laten keren naar hun oorsprong. De gemeente Opsterland heeft meebetaald met de hele operatie. Op 29 mei jl. zijn de beelden officieel ‘onthuld’ door  burgemeester Bouwman.”

Nu staan de overgebleven beelden, Ram, Kreeft, Weegschaal, Schorpioen en Boogschutter, na decennia in het depot van het Fries Museum te hebben gelegen, terug op de plek waar ze ruim 200 jaar geleden in de Overtuin stonden. De beelden maken deel uit van de buitententoonstelling Van Lyndens Erfenis in Beelden.

Marie de Rabutin-Chantal, Markiezin de Sévigné (1626-1696)

 

Binnentuin Musée Carnavalet Paris. Woonhuis van Mme de Sévigné sinds 1636. Neo-17de eeuwse tuin met gemengd gevulde randbeplanting

Onlangs een prachtige en interessante expositie bezocht in Musée Carnavalet in Parijs. ter gelegenheid van de geboortedag van Madame de Sévigné 400 jaar geleden.

Zij werd geboren in een van de karakteristieke 17de eeuwse huizen op de Place Royale (tegenwoordig Place de Vosges, Marais) in Parijs. Wie is daar niet geweest als toerist om een biertje of een koffie te drinken bij Café Ma Bourgogne in de galerij aan dit plein?

Mme de Sévigné werd hier geboren op de Place Royale (tgw. Palce de Vosges), Paris. Ze woonde hier tot haar 10de jaar, daarna Hotel Carnavalet.
Antoine-Julien Hénard (1812-1837). Woonhuis Mme de Sévigné / Binnenplaats Hotel Carnavalet, 1843. Met standbeeld Mme de Sévigné

In 1644 trouwde Marie met een Bretonse edelman, Henri de Sévigné en samen kregen ze twee kinderen, Françoise Marguerite and Charles. In 1651, op haar 25ste, werd ze weduwe toen Henri een duel niet overleefde. Sindsdien verdeelde ze haar tijd tussen Parijs en haar Chateau des Rochers in Vitré (ten oosten van Rennes). Ze verkeerde in de meest exclusieve literaire kringen en heeft met haar brieven (vnl. aan Francoise die met haar man, Comte de Grignan, verhuisd was naar de Provence) niet een steentje, maar een enorme groot stenen blok bijgedragen aan de Franse cultuur. Met haar brieven aan Francoise is het leven van een edelvrouw in 17de eeuws Parijs voor ons (latere generaties) gaan leven. Ik bewonder haar stijl, haar heerlijke flamboyante (in ons idee) rijke zinnen en het leven in literaire kringen van die tijd, dat zij weet op te roepen.

Emmanuel Dolivet (1854-1911). Model voor een beeld van Mme de Sévigné voor Parc Vitré/ Bretagne

Voor mensen die zich meer in het leven van Mme de Sévigné willen verdiepen, raad ik aan te lezen:

  • Ben Rekers (vertaald en bezorgd). Madame de Sévigné Brieven. Serie Privé-domein. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1991.
  • Gerda Munk. Madame de Sévigné et madame de Grignan. Dans la correspondance et dans la critique. Utrecht, 1966. Gerda Munk (*1920- ?) was een achternicht van mijn moeder.

Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn deze jaren speerpunt van RCE

Zocherpark Utrecht (met links Sint-Gertrudiskathedraal aan het Willemsplantsoen) langs de oevers van de Catharijnesingel. De zachtglooiend aflopende oevers van Zocher zijn veranderd in een droogtebestendige beplanting, waterberging en herstel van historische schaduwrijke structuren

Dat de RCE zich in haar beleid en kennisprogramm’s richt op specifieke thema’s is bekend. Denk bijvoorbeeld aan archeologie. Nu in deze jaren staan het Kennisplan Erfgoed Post-1965 en Klimaatadaptatie en Energietransitie centraal. Erfgoed Post-1965 heeft al geleid tot het aanwijzen van enkele jonge groene rijksmonumenten, zoals de Ecokathedraal in Mildam (1965) en de Spiral Hill in Emmen (1971). Zie ons eerdere Bericht

Bij Klimaatadaptatie is het belangrijk hoe (ook groene) monumenten  (zoals het Zocherpark in Utrecht, zie foto hierboven) verduurzaamd en aangepast kunnen worden aan klimaat-verandering. Voor onderhoud en reorganisatie van deze monumenten is een omgevingsvergunning nodig, gebaseerd op tuinhistorisch onderzoek.

Via de website van de RCE zijn nu waardevolle hulpmiddelen beschikbaar om geïnteresseerden verder te helpen bij het ondernemen van stappen die nodig zijn om hun plannen op het gebied van ruimtelijke inrichting te realiseren.
Vooraanzicht Buitenplaats Ipenrode met vroegere dierenweide. Haarlems Dagblad, 14 maart 2025. Lees over de toekomstplannen.
Na dit hele verhaal wordt het me langzaam aan duidelijk waarom ik op Linkedin minder nieuws (in de vorm van Bijdragen) vind over herstel van historische tuinen en parken. Natuurlijk blijft het uiterst belangrijk deze te blijven onderhouden maar het speerpunt van RCE ligt op reorganisatie in de richting van klimaatadaptatie op plaatsen die daarom vragen. Bijvoorbeeld:
open pleinen en brede straten in dorpen en steden vragen om schaduw (aanplant van bomen?);
-gevarieerde historische (soms uitheemse) beplantingen op buitenplaatsen vragen soms om droogtebestendige aanpassingen;
– open (dieren)weiden (zoals genoemd in het krantenartikel over Ipenrode) gelegen voor of achter kastelen en landhuizen vragen om droogtebestendige gevarieerde beplantingen;
-op droge gronden zal het bomenbestand (vooral beuken en berken) langzaam teruglopen en kunnen afsterven. Een meer weerbaar bomenbestand is dan vereist.
De komende tijd kunnen onze lezers Berichten en Bijdragen op deze website en op Linkedin verwachten over droogtebestendige boom- en plantensoorten.
We zullen dit onderwerp de komende tijd streng bewaken.

Klooster Ter Apel: gezien van de 19de eeuw tot 21ste eeuw

Voormalig Kruisherenklooster Ter Apel, oorspronkelijk uit 1465, geschilderd door  Arnold Hendrik Koning, eerste helft 19e eeuw. Coll. Groninger Museum

Wat een prachtschilderij is dit van het vm. Kruisherenklooster (1465) in Ter Apel. Ik kende het niet en ben zeer onder de indruk.     Ik was daar eens heel lang geleden. Toen was de tuin nog niet gesloten door een vierde vleugel, maar tussen 2000 en 2001 werd de nieuwe westvleugel gebouwd naar ontwerp van de Deense architect Johannes Exner en werd het hele complex gerestaureerd. We kennen nu dus drie tijdlagen van het klooster en zijn omgeving, namelijk het klooster met omgeving zoals het hier in de eerste helft van de 19de eeuw is vastgelegd door Arnold Koning; dan het bijna lege klooster (ruïne) met de open kloostertuin (uit de eerste helft van de twintigste  eeuw en de nieuwe (al weer bijna 25 jaar oude)  eenentwintigste  eeuwse situatie als een gesloten klooster met gesloten kloostertuin (hortus conclusus). De planten zijn nauwkeurig uitgezocht en zijn gebaseerd op de beplanting van een middeleeuwse kloostertuin.

Plattegrond Klooster Ter Apel 1910. Tijdschrift BUITEN. Noorden rechts. Zie DBNL

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 1, 1995) werd de tuin als volgt beschreven:

“De provincie Groningen telde in de middeleeuwen 37 kloosters, waarvan het klooster te Aduard het belangrijkste was. In 1594 werden alle kloosters geseculariseerd, waarna een enorm verval intrad. Het enige klooster in Groningen dat uiteindelijk bewaard is gebleven, is dat van Ter Apel, in 1465 gesticht door de Kruisheren. In 1604 behoorde het gehele kloostercomplex aan de Hervormde Kerk en in 1977 werd het eigendom van het ministerie van CRM. Oorspronkelijk bestond het complex uit meer onderdelen; er waren een armenhuis, een gasthuis en moestuinen en boomgaarden in de aangrenzende landerijen. Pas in de jaren dertig (1931-1933) van de twintigste eeuw werd de oorspronkelijke kloostergangtuin ingericht als kruidentuin. Deze ‘restauratie’ stond onder leiding van ir. C.L. de Vos tot Nederveen-Cappel. Het ontwerp voor de kruidenhof werd in 1932 gemaakt door de Groningse tuinarchitect J.W. Verdenius. Of de restaurateurs in de – onjuiste – veronderstelling verkeerden dat kruiden in een kloostergangtuin werden gekweekt, of dat men een authentieke bloemloze, in vieren gedeelde kloostergangtuin niet kon waarderen, is moeilijk te zeggen.

Kloostertuin Ter Apel na de restauratie. Begin 21-ste eeuw. 

De huidige situatie geeft wel een goede indruk van de soorten kruiden die men kweekte, maar waarschijnlijker is dat deze werden gekweekt in de moes- en kruidentuinen die oorspronkelijk buiten de kloostergang lagen. In de kloostergang zelf heerste in de middeleeuwen rust en devotie. Ook werden de kloosterlingen in de tuin binnen de muren begraven. De reorganisatie van de beplanting buiten het klooster werd destijds verzorgd door de tuinarchitect K.C. van Nes. Rondom het klooster staan nog steeds enige bijzondere oude bomen. Het klooster is een startpunt van enige bewegwijzerde wandelingen.”

Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. 1995. Zie verder:Tijdschrift Buiten 1910, p. 496-498; 508-512. Cultuurhistorische verkenning, RDMZ, 1995.

Labyrint en doolhof en de Hampton Court Maze in Engeland en Nederland

Deze Berichten zijn vaak antwoorden op vragen die mij zijn gesteld (via email of ‘in de wandeling’) en die ik graag op deze manier beantwoord omdat ik zeker weet dat ook anderen in het antwoord geïnteresseerd zijn.  De vraag deze keer was: wat is eigenlijk het verschil tussen een doolhof en een labyrint of is dat hetzelfde? Ik heb de vraagsteller geantwoord, maar keek ook voor de zekerheid nog even op Google. Daar wordt het volgende heldere antwoord gegeven:Doolhof
Labyrint

de belangrijkste verschillen tussen doolhof en labyrint zijn: *

Padstructuur: Een doolhof heeft vertakkingen en doodlopende paden (multicursaals). Een labyrint heeft één ononderbroken pad dat kronkelt naar het midden (unicursaals).

Doel: Bij een doolhof is het doel het vinden van de uitgang en/of het midden. Bij een labyrint is de weg ernaartoe belangrijker dan het bereiken van het eindpunt.

Ervaring: Doolhoven zijn uitdagend en spannend. Labyrinten worden vaak gebruikt voor bezinning, rust en meditatie.

Geschiedenis: Labyrinten zijn er al duizenden jaren (o.a. in de Griekse mythologie) en komen vaak voor in religieuze of spirituele contexten.

Het doolhof van Hampton Court is waarschijnlijk het oudste doolhof wat nog in originele vorm, zoals het eeuwen geleden is aangelegd, bestaat. In Nederland zegt men dat twee doolhoven zijn gekopieerd naar deze oude vorm, het doolhof bij Kasteel Ruurlo (Museum MORE), dat in 1890 is aangelegd en in 1975 opnieuw (met beukenhagen) is ingeplant, naar het oorspronkelijke ontwerp van de ontwerpers George London en Henry Wise, die tussen 1689 en 1695 het doolhof inplantten met haagbeuk, later vervangen door taxus; èn het doolhof bij Kasteel Staverden, dat in 1908 is aangelegd door tuinarchitect P.H. Wattez, echter NIET op Hampton Court is gebaseerd maar op een doolhof-prent uit het boek La théorie et la practique du jardinage  (1709) door A.J. Dezallier d’Argenville.

Plattegrond Doolhof Hampton Court
Plattegrond Doolhof bij Kasteel Ruurlo
Plattegrond Doolhof Kasteel Staverden

THE GARDEN, uit: ‘Poems of West and East’. Vita Sackville – West, 1917.

Vandaag 29 januari begint de Poëzie-week in Nederland.
Natuurlijk wil ik een gedicht aandragen, en wel een gedicht dat geschreven werd door Vita Sackville – West (1892-1962)  in 1915. Het treft mij vanwege de eenvoud en het bloemenschilderij dat zij met haar woorden ontvouwt.
Tuin Long Barn. Sevenoaks, Kent. Vita Sackville-West en haar man Harold Nicholson kochten dit huis en bijbehorende tuin in 1915. Zij begon hier (vóór Sissinghurst) met haar ‘romantic planting’.
page34image335637344
Dit gedicht van Vita Sackville -West beschrijft haar eerste tuin-ervaringen, geschreven in het jaar dat zij samen met haar man Harold Nicholson Long Barn heeft gekocht. De bekende tuinontwerpster Gertrude Jekyll (1843-1932)had toen al naam gemaakt als auteur van enige tuinboeken. Daarin schreef zij over haar naturalistische tuin-aanpak.  Vita was hier zeker door beïnvloed. Haar vroege tuinen worden ‘romantic’  van stijl genoemd. Later in de tuinen van Sissinghurst zocht ze naar meer structuur in haar tuinen. De bekende ‘white garden’ in Sissinghurst en de bekende ’tuinkamers’ zijn daarvan het resultaat.