Even reclame maken voor mijn schoonzoon. Walther Schoonenberg, secretaris van de Vereniging Vrienden Amsterdamse Binnenstad, schreef een rijk geïllustreerd boek, titel ‘Amsterdam Bijna Gesloopt‘.
(Overgenomen van de website van het Grachtenmuseum Amsterdam en bovenmate interessant voor monumentenliefhebbers, #Rijksdienst Cultureel Erfgoed, #Mooi Noord-Holland, leden van #Heemschut, #Hendrick de Keyser, en bovenal #GEMEENTERAAD AMSΤΕRDAM):
“Waarom stonden de Amsterdamse grachten ooit op het punt om gesloopt te worden? Het boek en de tentoonstelling ‘Amsterdam bijna gesloopt‘ nemen je mee door verschillende plannen voor de stad, nooit eerder getoonde archieffoto’s en je leert hoe Amsterdammers hun stad redden.
Moderne stad van glas en staal
Stel je voor: de grachtenpanden, smalle straatjes en pleinen van de Amsterdamse binnenstad vervangen door een moderne stad van glas en staal. Dit scenario leek in de 20ste eeuw écht te gaan gebeuren. En niet zomaar, want de binnenstad lag er toen vervallen bij. Het plan was er om oude buurten te vervangen door moderne wijken met brede autowegen en grote kantoorgebouwen. Het Grachtenmuseum op de Herengracht 386 was er bijvoorbeeld niet geweest als alle plannen voor verkeersdoorbraken door waren gegaan.
Actievoeren
Gelukkig liep het anders. Amsterdammers kwamen in actie; buurtbewoners, kunstenaars, monumentenliefhebbers vochten in de loop van de twintigste eeuw voor het behoud van hun stad. De tentoonstelling en bijbehorend boek nemen je mee in het verhaal van dreigende sloop, felle protesten en uiteindelijk een volledig herstel. Ontdek hoe Amsterdammers hun stad redden en hoe het komt dat wij daar nu nog elke dag van kunnen genieten. Daarnaast zijn er nooit eerder getoonde archieffoto’s, bijzondere tekeningen, plattegronden en actieposters te zien.
Verdiepend verhaal
De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad. Het gelijknamige boek, geschreven door Walther Schoonenberg MA, verscheen 26 februari 2026 bij Uitgeverij Prometheus (Amsterdam) en vormt een uitbreiding op de verhalen uit de tentoonstelling.”
Hermannus Numan. Het Jaagpad langs de Schinkel, met Huis Te Vraag in het verschiet. 1814. Coll. Stadsarchief Amsterdam.
Het nieuwe Jaarboek Cuypersgenootschap 2023, getiteld Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot is deze week verschenen, ter nagedachtenis van Jenny Bierenbroodspot (1941-2023), onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Ik weet niet of het boek al bij alle leden in de brievenbus is gevallen, maar omdat ik auteur ben van één van de artikelen, mocht ik het vlak voor Kerstmis komen halen op het Stadsarchief. Het boek ziet er prachtig uit en de teksten belichten Jenny in het vele vele werk dat zij in de wereld van de monumentenzorg heeft verricht. Het laatste artikel is van haar eigen hand.
Mijn tekst sluit aan op een korte beschrijving van de begraafplaats ‘Te Vraag’ in het boek van Margriet de Roever en Jenny zelf, De begraafplaatsen van Amsterdam (2004). Het is het enige artikel in het nieuwe Jaarboek dat ingaat op groen erfgoed, nl. op de geschiedenis en het behoud en beheer van de Begraafplaats ‘Te Vraag’ aan de Schinkel. Jenny was zeer gehecht aan deze begraafplaats, die in 1962 eigendom van de gemeente was geworden en sindsdien nauwelijks werd onderhouden omdat het plan was hier een afslag naar een verkeersweg overheen te leggen. In 1987 kwam de kunstenaar Leon van der Heijden op ‘Te Vraag’ wonen en hij heeft van de hele begraafplaats een natuur-kunstwerk gemaakt. De graven zijn verdwenen onder het groen; een enkele grafsteen heeft het overleefd en laat zien dat hier werkelijk een begraafplaats de basis is geweest van al dit schoon.
Een toevallige bijkomstigheid is dat ik door Jenny een keer naar deze plek werd meegenomen en dat ik toen het Jaagpad langs de Schinkel herkende uit mijn kleutertijd. Op de fiets voorop bij mijn vader fietsten we vaak langs dit pad op weg naar de tuin van mijn vader op het Volkstuinencomplex ‘Ons Buiten‘, aan de Nieuwe Meer. Eén keer kan ik me herinneren dat we afstapten en van het Jaagpad de trap omhoog opklommen op weg naar de graven van mijn vaders grootouders, Laurens Vogelesang en Johanna Hendrika Vogelesang-Maris, mijn overgrootouders dus. Helaas heb ik de graven nu niet meer kunnen terugvinden, ze zullen net als de andere overgroeid zijn door het groene lover dat minstens 50 jaar lang al zijn eigen weg heeft gebaand. En dat was nu net wat Jenny me wilde laten zien die keer dat ze me meelokte naar ‘Te Vraag’.
Mijn deelname aan het boek gaat in op de geschiedenis van de plaats, die begint bij een 17de eeuwse buitenplaats Huis te Vraag, die in 1890 wordt afgebroken en door Pieter Oosterhuis gekocht werd met het doel daar een particuliere begraafplaats aan te leggen. Het vervolg van de geschiedenis moet u zelf maar lezen in het artikel.
Carla Oldenburger. ‘Begraafplaats Te Vraag. Verwildering en menselijk ingrijpen gaan hand in hand’.Het Amsterdam van Jenny Bierenbroodspot. Jaarboek Cuypersgenootschap, Jg. 39, 2023, p. 138-154. (gepubliceerd december 2025) onder redactie van Coert Peter Krabbe, David Mulder en Jos Smit. Het boek is te bestellen bij de secretaris van het Cuypersgenootschap Leo Dubbelaar, secretaris@cuypersgenootschap.nl/
Boekaankondiging. Dik van der Meulen. Meester in het paradijs: Jac. P. Thijsse en het landschap.
Dit boek is net verschenen en nu al mijn topper van 2025. Het is geen biografie, maar toch krijg je het gevoel dat zijn hele leven is beschreven; het gaat meer om het veranderende landschap. Wat een heerlijk boek om in weg te dromen en wat een weelde om het in je hand te hebben. Het is interessant qua inhoud en prachtig verzorgd met illustraties van o.a. Thijsse zelf en plaatjes uit zijn beroemde albums. Wat valt er nog te zeggen over Thijsse na de biografie van Sietzo Dijkhuizen (2005)? Van der Meulen oordeelt dat zonder Thijsse Nederland er anders had uitgezien. Zijn denkbeelden zijn vandaag nog even actueel als in 1900. Het boek gaat niet alleen over Thijsse, maar even zoveel over zijn denkbeelden.
Heel Nederland was Thijsse’s onderzoeksterrein, maar direct in hoofdstuk 1 wordt duidelijk dat het landschap van zijn geboortestreek Zuid-Limburg en de Pietersberg heel aantrekkelijk voor hem waren. De Pietersberg en het Geuldal komen natuurlijk uitgebreid ter sprake. Vervolgens komt de natuur rond Grave en Woerden aan de beurt, waar Thijsse speelde en de natuur ontdekte als schooljongen, om vervolgens in 1877 te verhuizen naar Amsterdam Oost waar hij Artis leerde kennen. Zijn wandeltochten breidden zich in zijn vroege jeugd al uit naar De Kennemerduinen, de Waterleiding Duinen, Muiderberg, het Gooi, allemaal super interessant voor iemand die de Nederlandse natuur wil leren kennen.
Zijn leertijd werd in 1883 afgesloten met een Kweekschool- diploma, en daarna met een akte voor hoofdonderwijzer en talen-diploma’s Frans, Duits en Engels. Zijn eerste aanstelling was in Amsterdam in 1883. In 1890 vertrok hij met vrouw en kinderen naar Texel. Hoofdstuk 4, ‘Het vogeleiland’, is aan ‘zijn’ eiland gewijd. Omdat zijn vrouw enstige heimwee kreeg, keerde het gezin terug naar Amsterdam, en kwam hij terecht op de openbare school der eerste klasse, nr. 32 aan de Passeerdersgracht. In die tijd ontdekte hij Eli Heimans, en ontstond een hechte band tussen die twee. Een uitgebreid hoofdstuk bespreekt hun eerste gezamenlijke werken, de serie schoolboekjes, de oprichting van hun tijdschrift ‘De Levende Natuur’ en hun ‘Flora van Nederland’.
Met de uitgave van ‘Het Vogeljaar’ bleek Thijsse’s grote liefde voor vogels. Zijn bedoeling met dit boek, dat hij alleen had geschreven, was de lezers kennis te laten maken met de meest voorkomende vogels in Nederland. Vanaf dit boek begonnen Thijsse en Heimans een beetje uit elkaar te groeien. Heimans kreeg steeds meer belangstelling in geologie. Thijsse verhuisde in die tijd naar Bloemendaal en betrok het huis ‘Binnenduin’. Het jonge gezin genoot van een gelukkig gezinsleven, veel muziek, veel landschapsschoon, en van wandelen in Duin en Daal en rond ’t Kopje. Maar dat was lang niet genoeg. Zijn tijd werd opgeslokt door zijn bemoeienissen met de oprichting van de Ver. Natuurmonumenten en vooral door het schrijven van de Verkade-Albums, die hem echt bekendheid hebben bezorgd onder het grote publiek. In Bloemendaal werd ook op zijn initiatief de eerste natuurtuin aangelegd (Thijsse’s Hof). Het was eigenlijk een educatieve tuin bedoeld om het grote publiek met de duinflora in aanraking te brengen. ontworpen door de bekende tuinarchitect Leonard Springer, met een beplantingsplan van de wilde-planten-kweker Cees Sipkes.
Jac. (Co) P. Thijsse
Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-18) begint Verkade aan het doorzetten van de Verkade-albums te twijfelen. In 1919 verscheen zijn voorlopig laatste album ‘Friesland’. Toch zouden er later nog enkele volgen, o.a. van Thijsse’s hand ‘Texel’. Thijsse was niet te stoppen, plannen te over. Dat werd ook door anderen opgemerkt, en het resultaat was een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam en een aanstelling tot leraar aan het Kennemer Lyceum.
In 1930, na zijn pensionering, maakte hij een reis naar Ned. Indie, naar zijn zoon en zijn gezin. Ook hier stond kennismaking met de natuur voorop. Vogels, planten, bomen interesseerden hem, minder was hij geinteresseerd in de mensen, hun cultuur, hun echte leven. Natuurbehoud was geen issue in Indie, niet bij de blanke overheersers, niet bij de inlanders, maar dit onderwerp werd wel het hoofdthema voor Thijsse na zijn pensionering, samen met Piet van Tienhoven.
Onverwacht verschenen in Thijsse’s nadagen toch weer enkele Verkade albums. het boek ‘De bloemen en haar vrienden’ werd een groot succes. Hierdoor kon Thijsse Verkade overtuigen om weer nieuwe albums te laten verschijnen, en dat werden ‘Waar wij wonen’, een ode aan het Nederlandse landschap en ‘Onze groote rivieren’, met een ereplaats voor landschap ‘De Beer’, waar ik zelf mijn vogelkennis begon te ontwikkelen, door de kijker van mijn vader.
En hiermee is het boek van Dick van der Meulen in mijn eigen tijd beland. De epiloog van het boek gaat terug naar de landschapsbeschrijvingen van Thijsse en de schrijver vraagt zich af, hoe het nu met het Nederlandse landschap is gesteld? Achteruitgang natuurlijk, maar gelukkig ook nieuwe natuur en herstel. Denk aan de Marker Wadden.
Ik heb hierbover nu enige onderwerpen uit het boek benoemd, maar het boek is echt geen chronologische levensbeschrijving, ook geen roman (hoewel soms lijkt het er op) of levensverhaal. Thijsse’s leven en liefde voor de natuur komen ter sprake op een manier die vele facetten van zijn leven belicht, heel veel meer dan hier maar even luchtig aangeraakt. Ik vind het een meesterwerk.
Michiel Plomp, Utrechtse tuinen, speelhuisjes en lusthoven: De groene geschiedenis van de Domstad, 1122-1800. Uitgeverij SPOU, 2025. 203 pp.
Anthony Grolman. 1896. Toegang tot het Militair Hospitaal (Duitse Huis). Links de koepelkamer tegenover de Haverstraat. Coll. HUA.
Als ik de titel van het hier boven genoemde boek van Michiel Plomp zo vluchtig lees, denk ik meteen aan het oude Utrecht dat ik vanaf 1945 elke zondag al wandelend aan de hand van mijn vader heb leren kennen. Hij kende Utrecht net zo min als ik, dus wandelden we samen langs de singels en grachten met hun werven en bolwerken, op weg naar het Geertekerkhof, de pandhof van de Domkerk en het Pieters- en Janskerkhof. Op die kerkhoven waren de grafstenen al lang niet meer te zien, maar hij legde me uit dat in vroeger eeuwen de mensen rond de kerken begraven werden en dat daarom die kerkpleinen kerkhof werden genoemd. Als klein kind begreep ik toen meteen dat de woorden begraafplaats en kerkhof ieder een eigen betekenis hadden en dat er dus duidelijk een verschil was tussen beide.
Het boek bestaat uit drie hoofdstukken inleiding, die ieder een bepaalde periode beschrijven, grofweg middeleeuwen (Utrecht deel van het heilige Roomse Rijk), daarna de 17-de eeuw (vanaf de Reformatie) en de 18-de eeuw (binenn en buiten en op de wallen), gevolgd door twaalf uitgewerkte bijzondere voorbeelden van Utrechtse tuinen door de eeuwen heen en tot slot de bekende bloemenmarkt op het Janskerkhof.
Het is een feest om over al deze historisch verantwoorde voorbeelden te lezen en vooral ook alle schitterende afbeeldingen van bekende Utrechtse gebouwen en tuinen en stadsgezichten weer te zien.
Eerst worden de Middeleeuwse tuinen in Utrecht beschreven, de tuinen van de kanunniken, de bisschopshof en de kloostertuinen. Tijdens de Reformatie verandert het aanzien van de stad behoorlijk. De vele kloostergronden worden bebouwd of veranderd in pleinen en wegen. ook begint de stad zich naar gebieden buiten de grachten te ontwikkelen. Een mooi voorbeeld van 17-de eeuws openbaar groen is de aanleg van de Maliebaan, eigenlijk de ‘aankleding’ van het malieveld waar het maliespel werd gespeeld. Beslist een bijzondere vondst van de auteur is de lijst van Utrechtse tuinliefhebbers, die Crispijn van de Passe noemt in zijn boek Den Blomhof (1614). Van de Passe is de tuinbezitters dankbaar omdat hij de bloemen in hun tuin heeft mogen schilderen. Welke planten er verder in die tijd bekend waren wordt gedeeltelijk duidelijk uit de nog bestaande catalogus van de ‘Hortus Academicus’ uit 1650, geschreven door Henricus Regius. In de 18de eeuw veranderde er niet erg veel wat betreft het openbaar groen, terwijl de particuliere tuinen meer zichtbaar werden. Bewoners van grachtenhuizen krijgen meer oog voor siertuinen achter hun huis. Een prachtige tekening van Jan de Beier van een tuin achter Drift 25 is een mooi voorbeeld.
Na een uitgebreide beschrijving van enkele 18de eeuwse voorbeelden volgen levendige schetsen van ’tuinen’, die tot in onze tijd nog duidelijk herkenbaar zijn, zoals de pandhoven bij Domkerk en de voormalige Maria kerk, de Bisschops Hof (nu Flora’s Hof), de tuin bij Paushuize en het Duitse Huis (nu Grand Hotel Karel V). Ook enige uiteenzettingen van interessante groene concentraties (ook buiten de stad, in de provincie) krijgen aandacht. Mij troffen vooral ‘Bomen van Pieter Saenredam’ en de beschrijving van de voormalige kanunnikentuin bij het kanunnikenhuis, later het voor mij nog bekende Hotel des Pays Bas, met zijn binnentuin. Het laatst komt de bloemenmarkt op het Janskerkhof aan bod, die daar sinds 1827 gevestigd is.
Het is een heerlijk boek voor mij als Utrechter. Ik heb de geschiedenis van Utrecht nooit zo nauwkeurig uit boeken bestudeerd, maar wel beleefd vanuit mijn huis (tegenover de Geertekerk -spelen op de ruïnes- en later aan de Oude Gracht) en vanuit mijn school (aan het Domplein, spelen in de pandhof) en onderweg van huis naar school (over de Springweg langs het Duitse Huis en langs Flora’s Hof).
Niets dan lof voor dit prachtige en interessante boek.
Het langverwachte boek door Uitgeverij Blauwdruk, gemaakt naar aanleiding van het 100-jarige bestaan van de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur komt uit. Er wordt niet alleen teruggeblikt naar de oprichting van de BNT, wie de oprichters waren en wat hen bewoog, maar ook verbinding gelegd met de huidige stand van het vakgebied. De doelstellingen van de vereniging uit 1922 zijn nog verrassend actueel voor de NVTL anno nu.
Eerste ALV 1923 – bron Special Collections, Wageningen University & Research – Library
Het boek bevat een uitgebreide inleiding van Erik A. de Jong, een nawoord van Ben Kuipers, een voorwoord van Young NVTL, foto-essays van Jeroen Bosch en portretten van de leden en bestuursleden van het eerste uur en een selectie van hun projecten in woord en beeld. Het groene erfgoed van een eeuw oud ligt er verrassend genoeg veelal goed bij.
De portretten zijn geschreven door de volgende auteurs:
Pieter Westbroek geschreven door Anja Guinée, Leonard Springer en Henri Hartogh Heys van Zouteveen door Patricia Debie, Hugo Poortman door Anneke Coops, Jacoba Hingst door Sandra den Dulk, Tine Cool door Liesbeth Missel, Wim Sluiter, Jo Bouwens en Anthonij Herman Haarsma van Oucoop door Eric Blok, Jan Jacob Denier van der Gon door Karin Laarakker, Samuel Voorhoeve door Rob Aben en Jeroen Bosch, Jan Bijhouwer door Gerrie Andela, Adriaan van Laren door Carla Oldenburger, Gustav Adolf Overdijkink door Henk van Blerck en Dirk Tersteeg door Gerrie Andela en Anja Guinée.
Het boek is gesponsord door NVTL, Stichting NHBOS en Jaap Harten Fonds.
De Vereniging vrienden van de Amsterdamse Binnenstad / VVAB heeft ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan een boek uitgegeven over de geschiedenis van het behoud en herstel van de binnenstad in de periode 1975-2025.
Het boek werd gepresenteerd op de jubileumbijeenkomst in kerkgebouw De Duif aan de Prinsengracht waar honderden feestgangers bijeen waren gekomen om naar verschillende lezingen (en muziek van Reinier Sijpkens van het Muziekbootje) te luisteren. Vandaag lag het boek in mijn brievenbus. Het is een prachtig en zeer interessant overzicht over wat deze vereniging in 50 jaar heeft gepresteerd. Veel interessante artikelen. Het boek bestaat uit 3 delen. Deel 1 gaat over de geschiedenis van de VVAB; deel 2 geeft enkele ‘dossiers nader bekeken’ en deel 3 bevat een aantal overdrukken van artikelen uit Binnenstad, het tijdschrift van de VVAB.
Titel: Een halve eeuw strijd tegen de waan van de dag
“Het boek bestaat uit 112 pagina’s, waarvan 70 een bloemlezing bevat van artikelen uit het blad Binnenstad.
Uitgave van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, Amsterdam 2025
Het boek is te bestellenvoor € 20,- incl. verzendkosten.
Op 6 maart 1975 werd in een zaaltje van Hotel Krasnapolsky de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad opgericht. De afkorting VVAB ontstond pas rond 2000, destijds sprak men over ‘de Vrienden’. De vereniging moest de liefhebbers van de historische architectuur en stedenbouw, degenen die “daarmee een emotionele band voelen” verenigen en “uitgroeien tot een organisatie met de kracht en het gezag van de Vereniging tot behoud van de Waddenzee”.
Het ontstaan van de vereniging kan niet los worden gezien van de vele initiatieven van haar oprichter Geurt Brinkgreve (1917-2005). Toen deze beeldhouwer in 1944 in Amsterdam kwam wonen, verkeerde de binnenstad in deplorabele staat – honderden panden waren afgebroken of stonden in stutten. In de Jordaan was zelfs een kwart van de bebouwing al verdwenen. De Vereniging Vrienden werd opgericht om particuliere woonhuiseigenaren te stimuleren de restauratie van hun bezit ter hand te nemen en om onafhankelijk actie te kunnen voeren voor het behoud en herstel van de historische binnenstad.
Het opkomen voor het behoud en herstel betekende in de praktijk meestal dat de vereniging in het geweer kwam tegen de sloop van monumenten en tegen nieuwbouwplannen die zij qua schaal of vormgeving niet in de binnenstad vond passen. Terugkijkend op de afgelopen halve eeuw kan worden vastgesteld dat de VVAB veel heeft weten te bereiken.”
Deze prachtige etalage van de boekhandel Architectura & Natura op de Leleiegracht 22 te Amsterdam is geheel gewijd aan een nieuw boek van Caroline Voet over de huizen ontworpen door dom Hans van der Laan (en navolgers), de architect, hoogleraar en oprichter van de Bossche School.
In het boek worden 16 huizen in de stijl van de Bossche School besproken, een mooi en uitgebreid overzicht.
Het boek zal verschijnen 2 januari 2025.
Wilt u meer weten over dom Hans van der Laan? Zie dan de pagina op deze website onder de knop ‘Van der Laan’ en de literatuurlijst van Juliet Oldenburger op deze website, en dan zoeken op Thematismos.
Het Paradijs van de Arbeider: Tuindorpen en Tuinsteden
[Persbericht overgenomen]
Groen, gezond en sociaal wonen: tentoonstelling ‘Het Paradijs van de Arbeider’ in Museum Het Schip
Van 11 oktober 2024 t/m 27 juli 2025 presenteert Museum Het Schip in Amsterdam de tentoonstelling Het Paradijs van de Arbeider: Tuindorpen en Tuinsteden. Met een kleurrijke verzameling films, tekeningen en objecten biedt de tentoonstelling een internationaal perspectief op de impact van groene stadsplanning, en op de kunstzinnige en architecturale pracht die de tuinstadbeweging voortbracht.
De druk op steden neemt wereldwijd toe en thema’s als woningnood, vergroening en sociale cohesie worden steeds urgenter. Het Paradijs van de Arbeider toont hoe het tuinstadideaal, eind negentiende eeuw ontstaan als antwoord op de vervuiling en overbevolking van industriële steden, nog altijd relevant is in het licht van de huidige wooncrisis en de dringende noodzaak om groener en toekomstbestendiger te bouwen. Bezoekers ontdekken de oorsprong van de tuinstadbeweging en wat we hiervan kunnen leren bij het bouwen aan de stad van de toekomst.
Tuindorp Oostzaan . Wikipedia.
Van vervuilde industriesteden naar groene paradijzen
In 1924 vond in Amsterdam het Internationaal Stedenbouwkundig Congres plaats, waar experts als Wibaut en Berlage discussieerden over de toekomst van de volkshuisvesting. Die moest gezonder, socialer, groener én mooier worden. Honderd jaar na de bloei van de baanbrekende tuinstadbeweging neemt de tentoonstelling in Museum Het Schip bezoekers mee op een inspirerende, internationale reis door de tijd. Met foto- en videomateriaal, fantasievolle tekeningen en schilderijen, historische publicaties, maquettes, objecten en ansichtkaarten uit alle windstreken – van Engeland en Frankrijk tot Brazilië en Japan – komt de tuinstadgedachte voor je ogen tot leven. Van vervuilde industriesteden naar groene paradijzen, idyllische oases en verticale tuinsteden; de tentoonstelling biedt een interessant inkijkje in verleden, heden en toekomst. Een glansrol is daarbij weggelegd voor de artistieke schoonheid van Nederlandse tuindorpen – waarvan een aantal is ontworpen door architecten van de Amsterdamse School.
Trots op de tuindorpen
Door heel Nederland vinden we nog altijd meer dan honderd prachtige en bij bewoners geliefde tuindorpen. Velen daarvan zijn, dankzij de bijzondere bouw en artistieke schoonheid, zelfs bestempeld tot monument of beschermd dorpsgezicht.
Tuindorp Nieuwendam. Wikipedia
Zo werd Tuindorp Nieuwendam in Amsterdam-Noord ooit bekroond als het mooiste tuindorp van Europa – een toonbeeld van hoe natuur, wonen en sociale samenhang hand in hand kunnen gaan. Hilversum werd zelfs de grootste vooroorlogse tuinstad van Nederland, met daarin veel invloeden van de Amsterdamse School. Dat bewoners nog altijd trots op hun tuindorpen zijn, blijkt uit de film die ter gelegenheid van de tentoonstelling werd gemaakt.
Levend erfgoed en inspirerende activiteiten
Naast de tentoonstelling organiseert Museum Het Schip een reeks activiteiten die dit erfgoed tot leven brengen. Bezoekers kunnen deelnemen aan lezingen, fietstochten en workshops die hen meenemen naar de mooiste tuindorpen van Nederland. Voor wie de smaak te pakken heeft, biedt het platform World Garden Cities een online gemeenschap waar liefhebbers van over de hele wereld hun ervaringen en kennis kunnen delen. Daarnaast verschijnt bij de tentoonstelling het boek Het Paradijs van de Arbeider: Tuindorpen en Tuinsteden, een rijk geïllustreerd werk dat de verhalen van deze bijzondere woonvormen tot leven brengt.
Dit boek is onder schuilnaam geschreven, namelijk door de Schrijver der Flora. We kunnen hieruit concluderen dat deze anonyme schrijver al eerder een botanisch werk heeft afgeleverd onder de titel Flora. Als we zoeken op naam van de uitgever ‘Gebroeders Diederichs en Flora’, zien we dat het gaat om Flora Jaarboekje voor Bloemliefhebbers en Bloemkweekers (1837). Het derde deel van Nederlandschen Tuinkunst is ook apart uitgegeven, nu door de uitgever Loosjes te Haarlem, als apart deel van het Tijdschrift ter Bevordering der Nijverheid, onder de titel Dagboek voor Boom- en Bloemkweekers, Hoveniers en Warmoezeniers (1840), ook weer met de vermelding “door den Schrijver der Flora”. Een van de samenstellers van dit Tijdschrift was de welbekende hoogleraar in de Botanie en Landhuishoudkunde aan de Universiteit van Groningen, Prof. H.C. van Hall.
Het intrigeert mij al jaren dat ik niet weet wie de schrijver is van dit genoemde uitstekende bruikbare praktische handboek. Wie zou dat kunnen zijn? Misschien ging de auteur er van vanuit dat iedereen dat wist, maar een kleine twee honderd jaar later na verschijnen van dit handboek weet echt niemand dat meer. Zie ook het artikel van Jan Holwerda in Cascade Bulletin 23 (2014), nr.1, p. 42-44.
Ik ken natuurlijk de naam van de botanicus H. C. Van Hall (1801-1874), die samen met Jan Kops (1765-1849) de delen 5 t/m 8 (1828-1844) van de Flora Batava samenstelde. Uitgever J.C. Sepp en Zn. Om dit puzzeltje op te lossen dacht ik niet meteen aan de Flora Batava omdat deze Flora de wilde planten van Nederland beschrijft, terwijl de Nederlandsche Tuinkunst echt een handboek is bedoeld voor bloemkwekers, tuinbazen en tuinliefhebbers, hoewel de ‘beoefenaars der plantenkunde’ op de titelpagina als eerste doelgroep worden genoemd. Van Hall was ook nog de schrijver van een eerdere flora, de Flora Belgii septentrionalis sive Index plantarum indigenarumof in het nederlands Flora van inheemse planten van Noord-Nederland, uitgegeven te Amsterdam bij dezelfde uitgever als van de Flora Batava, J.C. Sepp en Zn. in 1825. Ook dit boek beschrijft wilde inheemse planten.
Van Hall is dus bekend van twee wetenschappelijke flora’s met als eerste titelwoord ‘Flora, beide uitgegeven door J.C. Sepp en Zoon èn van het werk Nederlandschen Tuinkunst, uitgegeven door de Gebr. Diederichs, beide uitgevers gevestigd te Amsterdam. Het blijkt dat de gebroeders Diederichs uitgevers zijn van meer populaire werken (opgesomd in dbnl.nl). Wat wel vaker gebeurde is dat wetenschappers hun werk ook onder de aandacht wilden brengen van de gewone man; het zou kunnen zijn dat Van Hall daarom het derde deel van Nederlandsche Tuinkunst bij Diederichs publiceerde, een veel minder wetenschappelijke werk, bedoeld voor tuinlieden in de praktijk. Hij had zijn wetenschappelijke naam hoog te houden, dus verlaagde hij zich misschien niet graag tot de praktische kant van het vak en moest de term Schrijver der Flora insiders weer naar zijn wetenschappelijke werk verwijzen. Het is misschien een aardige theorie, maar geen bewijs. We blijven zoeken en speuren.
Nieuw boek van Els Launspach: Tuinen van Licht. Gorredijk, Sterck & De Vreese, 2023. 352 p. €27,50. Adviezen Carla Oldenburger
De Tuinen van licht / Els Launspach
(Overgenomen van uitgeverij Sterck & De Vreese):
“De Tuinen van licht is een roman over verbeeldingskracht, die zich afspeelt tegen de achtergrond van de bloeiende 16e/17e-eeuwse tuincultuur in Frankrijk, de Lage Landen en Engeland. We volgen het verhaal van Pierre, die in Parijs wordt opgeleid tot hovenier. Tegen de wil van zijn vader, de grote hovenier Claude Mollet [1557-1647], laat Pierre [1590-1659] zich inlijven bij het katholieke leger om tegen de protestanten te vechten. Hij komt als krijgsgevangene in Vlissingen terecht, maar wordt later alsnog hovenier. Eenmaal volwassen vestigt hij zich in Luik, waar zijn vrouw Gonde zich wijdt aan de ontwikkeling van tulpen. In dienst van stadhouder Frederik Hendrik ontwerpt hij het grondplan voor de tuinen van Honselaarsdijk. Daar, in het noorden, ontmoet hij Simon Stevin, vriend en leermeester, die een grote invloed heeft op zijn zelfbeeld. Het verhaal van Pierre wordt verteld door Mathieu, onlangs weduwnaar geworden. Uit een behoefte aan troost kleurt hij de levens van deze historische personages in, en worstelt zich zo door zijn verdriet heen. Van Els Launspach verschenen de romans Messire; Richard Revisited; Jonker; en Maîtresse van Oranje.
Els Launspach bij het verschijnen van haar nieuwe boek, 23 mei 2023 te Haarlem. Foto Carla Oldenburger
Na haar studie kunstgeschiedenis en theaterwetenschap werkte Els in het theater en publiceerde essays over toneel en film. Aan de Amsterdamse Academie voor Theater en Dans gaf ze ruim twintig jaar les over de Griekse tragedie en Shakespeare.”
CO: Voor de duidelijkheid, het is dus een roman over verbeeldingskracht en het raakt de hoveniersfamilie Mollet en de tuinen van Frederik Hendrik. Toch is het boek voor tuinhistorici zeker interessant, omdat het de grenzen opzoekt tussen heden en verleden en tussen fictie en werkelijkheid. Juist dat kan de moderne mens stimuleren tot nadenken en onderzoek.