Categoriearchief: 19de eeuw

Buitenplaats De Voorst

Ik las vandaag een berichtje op Linkedin van Geldersch Landschap en Kasteelen met heel kort een verwijzing met mooie foto’s naar de geschiedenis van Buitenplaats De Voorst (in Eefde bij Zutphen). Ik wil voor de geinteresseerde lezer hier graag wat uitgebreider bij de tuingeschiedenis stil staan. Al in de vroege middeleeuwen wordtDe Voorst genoemd. Het huidige huis werd van 1695 tot 1697 gebouwd voor Arnold Joost van Keppel, graaf van Albemarle en gunsteling van Willem III.
De hofarchitecten Jacob Roman en Daniel Marot waren bij de bouw betrokken. De verdeling van werk tussen beiden is waarschijnlijk dezelfde geweest als op Het Loo en Zeist. Jacob Roman zorgde voor de exterieurs en de uitleg van de tuinen en Daniel Marot voor de decoratie van interieurs en parterres in de tuin. Evenals op Het Loo werd ook hier het huis via colonnades verbonden met de zijpaviljoens. Deze werden overigens in 1847 gesloopt; in 1875 werden de oranjerie en 1909 het noordelijk paviljoen weer opgebouwd.
Op de serie prenten van Petrus Schenk uit ongeveer 1700 zien we dat de tuinen van De Voorst analoog aan die van Het Loo werden ontworpen. Achter het huis lag een verdiepte tuin langs een as van symmetrie, met aan het eind de halfcirkelvormige afsluiting die zo kenmerkend is voor de Frans-classicistische tuinaanleg. In de tuinen bevonden zich acht centrale parterres de broderie, vier zijtuinen, een rond en een achthoekig bassin, twee complexen moestuinen en een loofgangenstelsel met daarin twee paviljoens. Achter de zijpaviljoens lagen bloementuinen.
Omstreeks 1780 vond op De Voorst de eerste verandering in landschapsstijl plaats. Dit gebeurde in het overpark in de hof langs de Berkel. Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ uit 1783 is in dit gedeelte een rechthoekig park doorsneden door slingerlanen te zien. De formele aanleg rond het huis en de symmetrische bosketten met waterbassins in het overpark waren nog onaangeroerd gebleven. De auteur Van der Aa spreekt in 1848 over een zeer fraai park, binnen grachten gelegen en met gelegenheid tot vissen, jagen en wandelen. Topografische kaarten laten zien dat de tuin nog steeds binnen hetzelfde grachtenstelsel ligt.
De ovale kommen in het voorterrein waren tot landschappelijke vijvers veranderd en de regelmatige tuinvormen achter het huis tot landschappelijke bosschages. De rechte middenas achter het huis was veranderd in een zich afwisselend versmallende en verbredende zichtas. In 1908 werden naar ontwerp van de tuinarchitect L.A. Springer achter de oranjerie een bloementuin en achter het noordelijk zijpaviljoen een rosarium aangelegd, beide nu niet meer aanwezig. In 1912 deed Springer het voorstel de beplante zichtas in het voorterrein weer terug te brengen en het eerste deel van het terrein achter het huis in een golvend gazon te veranderen. Het gazon werd aangelegd, de zichtas niet. Van 1919 tot 1925 gaf de tuinarchitect H.A.C. Poortman verschillende beplantingsadviezen. Het huis is in 1943 afgebrand en de restanten kwamen in 1957 in eigendom van de Stichting Geldersche Kasteelen. Deze liet het huis aan de buitenzijde restaureren in de oorspronkelijke vorm van omstreeks 1700. Het landgoed werd in 1988 eigendom van Het Geldersch Landschap, dat in 1992 de ijskelder restaureerde. Op het landgoed bevinden zich verspreide boscomplexen van loof- en naaldhout te midden van bouw- en weiland.

De mammoethboom (Sequoiadendron giganteum) in het Abraham Ledeboerpark

Mammoethboom, Adraham Ledeboerpark, Enschede. Foto Wikipedia

De verkiezing van de Boom van het Jaar 2025 is geworden de Mammoethboom in het Abraham Ledeboerpark in Enschede.

De Volkskrant meldde gisteren (14 oktober 2025): Met ongeveer 35 meter hoogte en een omtrek van bijna 8 meter is de Sequoiadendron giganteum (‘sequoia’, of mammoetboom) een indrukwekkende verschijning in het Enschedese Abraham Ledeboerpark. Oorspronkelijk komt de boomsoort uit de Verenigde Staten, waar in Californië het bekende Sequoia National Park te vinden is. De bijzondere Enschedese mammoetboom werd dinsdag uitgeroepen tot Boom van het Jaar 2025.

Over de leeftijd en de geschiedenis van de boom gaat het verhaal verder: Hij zou zijn geplant door de familie Ledeboer, die in de tweede helft van de negentiende eeuw het landgoed ’t Wageler in bezit kreeg, wat later het Ledeboerpark zou worden. De textielindustrieel Abraham Ledeboer liet, geheel in de trend van die tijd, op het landgoed een ‘Engelse tuin’ aanleggen…

…De familie Ledeboer was een welvarende textielfamilie, waardoor zij verre reizen kon maken. De mammoetboom zou rond 1890 door de Ledeboers zijn geplant met zaden die de familie had meegenomen uit Californië.   …   Maar Olaf Visscher, archivaris bij het Archief Twentse Textielfamilies, ontdekte eerder dit jaar dat de boom al sinds 1866 in het park bleek te staan. In een oude factuur, getiteld plantsoen voor uw aanleg rond ’t Wageler, wordt eerder contact beschreven tussen tuinarchitect Dirk Wattez en Hendrik Jan van Heek, een andere textielfabrikant. De factuur voor de mammoetboom bedroeg 300 gulden. Daarmee is deze mammoetboom niet alleen een van de breedste, maar ook een van de oudste bomen in Nederland.

Abraham Ledeboerpark. Enschede, Foto Wikipedia

Het  Ledeboerpark park beslaat een groot deel van de voormalige buitenplaats Het Wageler, in 1865 aangelegd door de tuinarchitect Dirk Wattez, en later werd gereorganiseerd door zijn zoon P.H. Wattez.

De buitenplaats maakt deel uit van het Overijsselse hoeven- of kampenlandschap, dat gekenmerkt wordt door een kleinschalige afwisseling van akkers, weiden, bos en boerderijen, afgezet door houtwallen.

In 1956 werd Het Wageler door de familie Ledeboer aan de gemeente geschonken, ter nagedachtenis aan Abraham Ledeboer. Bij de overname werd bepaald dat het park uitsluitend een wandelpark zou blijven, dat er geen sportvelden zouden worden ingericht en dat er geen monumenten en geen restaurant zouden worden gebouwd. Het park bestaat uit een grote landschappelijk aangelegde vijver, gazons, fraaie oude houtopstanden en open weiden door bos omsloten.  In een dierenweide lopen ezels, wilde zwijnen, damherten, geiten, ponies. Er is een volière met roofvogels. In het park zijn wandelroutes uitgezet. In een Twents Lös Hoes, genaamd ’t Lammerinkswönner, is een bezoekerscentrum ingericht waar permanente en tijdelijke exposities zijn te bezichtigen. Enschede is rijk bedeeld met voormalige buitenplaatsen, die door de eigenaars aan de gemeente geschonken zijn en zo de functie van gemeentepark hebben gekregen. Naast het Ledeboerpark zijn ook het Van Lochemsbleekpark en het Wooldrikpark voormalige buitenplaatsen.

Frederikshof: van moestuin naar siertuin en van siertuin naar Festivalterrein

De tuin Frederikshof bij Kasteel Keukenhof twintig jaar geleden.
Foto’s (2006) van Walther Schoonenberg van de tuin van Frederikshof (ontwerp Oldenburgers Binnenstad & Buitenleven, op de voormalige moestuin van het kasteel).
– een vroeg-17de eeuwse tuin beplant met vruchtbomen en Fritillaria’s;
– een 18de eeuwse tuin met gebogen paden en een bergje;
– een kassentuin met planten in potten langs de paden;
– een 20ste eeuwse border rond een gazon.
Een heerlijke tuin om in te verdwalen. En nu? Google Earth geeft een kale grasvlakte in gebruik als festivalterrein voor kleinere festiviteiten.
Jammer, wij worden er verdrietig van, alhoewel we begrijpen dat de stichting ook deze buitenplaats draaiende moet houden.

20ste eeuwse bloemenborders

OLDENBURGERS BINNENSTAD & BUITENLEVEN. 25-jarig bestaan en 50 jaar ervaring

OLDENBURGERS BINNENSTAD & BUITENLEVEN. 25-JARIG BESTAAN EN 50 JAAR ERVARING

Precies vandaag 25 jaar geleden, 1 augustus 2000, zijn wij Carla en Juliet Oldenburger begonnen met ons advies- en ontwerpbureau BINNENSTAD & BUITENLEVEN.

Aanvankelijk lag ons accent op de geschiedenis van historische tuinen, parken, buitenplaatsen en landschappen. Carla had al vanaf 1975, in het voetspoor van Cocki Cremers en Henri van der Wyck, op de universiteiten van Utrecht en Wageningen projecten begeleid en ontwikkeld, o.a. als raadgever voor de provincie NH betreffende de tuinen van Beeckestijn (1975-1995) en als lid van de Werkgroep Tuinaanleg van de Restauratie-commissie Paleis Het Loo (1975-1984). Daarnaast was veel praktische ervaring opgedaan als (bestuurs)lid van o.a. Raad voor Cultuur/Cie. Buitenplaatsen (1978-1996); Nederlandse Tuinenstichting (1993-2002); St. Geldersch Landschap en Kasteelen / BAC (1994-2009); Begeleidingscie. landgoederen Clingendael en Oosterbeek (2001-2014).

Vanaf 2000 startte onze samenwerking, eerst nog gefocussed op historische tuinen, parken en buitenplaatsen, maar vanaf 2016 werd het werkterrein verbreed tot architectuur en landschap, met drie specialisaties groen erfgoed, kleurgebruik in de architectuur en architectuurtheorie.  

We zijn een klein bureau met de langste ervaring op het specialistische terrein van groen erfgoed.

Onze expertise ligt niet alleen op onderzoek, begeleiding en ontwerp, ook begeleidende publicaties (boeken, rapporten en artikelen) vinden wij belangrijk. Zie de knop ‘Publicaties‘ op deze website. Carla schreef haar eerste artikel over historische planten in 1975 (Ornamental Plants in 16th and 17th century gardens) en ca. 200 publicaties volgden. Juliet maakte tuininventarisaties voor de eerste uitgave waaraan zij meewerkte in 2000 (Amsterdamse Grachtentuinen – Prinsengracht) en hierna zijn bijna 100 publicaties gevolgd. Samen hebben we dus 50 jaar ervaring. Ons voorlopig laatste rapport verscheen deze zomer en betrof het parkdeel ten oosten van de rozentuin van het Vredespaleis: Heidetuin of Woodland Garden?

Onvermoeid gaan we door,  alles ter glorie van het groene erfgoed.

Een vroeg ontwerpje in Schalkwijk van K.G. Zocher (1832)

Het loont altijd de moeite door Linkedin te struinen, want naast alle reclame (soms verpakt in goed bedoelde felicitaties en advertenties) zijn  er zo af en toe toch gelukkig ook nog inhoudelijke nieuwtjes te vinden. Zo kwam ik vorig jaar een schetsontwerpje tegen van K.G. Zocher van een tuin in Schalkwijk.

K.G. Zocher. Schetsontwerp van tuin rond het Lekdijkhuis te Schalkwijk. dd. 1830. Bron zie tekst.

De eer komt toe aan Sander van Scherpenzeel die een bezoek bracht aan het Regionaal Historisch Centrum Rijnstreek en Lopikerwaard in Woerden om in de archieven te kijken wat er van zijn gading bij was. Hij eelde zijn vondst met Linkedin. Het betrof de archieven van het Hoogheemraadschap De Lekdijk Bovendams, de voorloper het huidige Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Hij vond hier een dossier met diverse aan- en verkoopakten, van de buitenplaats Bagatelle. Deze buitenplaats stond op de plaats van het huidige Lekdijkhuis in Schalkwijk, was ca. een halve morgen groot en werd 22 november 1820 gekocht door Andries Snoek, een bekende Nederlander zouden wij nu zeggen, want hij was begin negentiende eeuw  een van de belangrijkste tragediespelers in Europa. Ook was hij de stichter van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Hij overleed in september 1829, waarna de buitenplaats in 1830 verkocht werd aan het Hoogheemraadschap  De Lekdijk Bovendams. Het Waterschap gaf K.G. Zocher (1797-1868) de opdracht een tuin te ontwerpen rond het huis. De tuin is gelegen op de hoek van de Zuwedijk en de Provincialeweg te Schalkwijk.

De waarde van deze vondst ligt hem in het feit dat we van K.G. Zocher geen ouder ontwerp kennen. Dit ontwerp, ook al is het maar een schets, is dus tot heden de oudste tuintekening van zijn hand. Hij ontwierp in het algemeen in de gardeneske landschapsstijl en ook aan dit ontwerp is dat duidelijk te zien. Gardenesk betekent ‘als in een tuin met veel bloeiende planten’, d.w.z. in dit geval met veel bloeiende heesterpartijen in een ruime kring rond het huis, een rond bloemenperk vóór het huis en clusters coniferen langs de weg. Dit alles  in tegenstelling tot een ruime open landschappelijke aanleg zonder veel bloemen en kleur.

Met dank aan Sander van Scherpenzeel, voorzitter Stichting Houtense Hodoniemen.

Het huis is een rijksmonument en is in verband met de verkoop uitvoerig beschreven, inclusief het erf, maar helaas komt K.G. Zocher niet in de beschrijving voor. Na de verkoop zal deze beschrijving wel verdwijnen vermoed ik.

 

De parkaanleg rond Huis Scherpenzeel van Hendrik van Lunteren

In aansluiting op het Bericht ‘Huis Scherpenzeel op Kadasterkaart 1826’volgt nu een nieuw Bericht over de aanleg van het park rond Huis Scherpenzeel. Deze aanleg is getuige een brief van Petrus Johannes van Naamen, heer van Scherpenzeel (1774-1854) aan zijn neef Johannes Sebastiaan van Naamen, ambachtsheer van de beide Eemnessen (1795-1848). ontworpen door Hendrik van Lunteren, al wordt zijn naam niet genoemd. Zijn zoon Samuel van Lunteren (1813-1877) reorganiseerde het werk van zijn vader later in 1859.

Hendrik van Lunteren. Mminiatuur op ivoor.
Coll. Centraal Museum Utrecht

De brief is gedateerd Amsterdam 27 januari 1832. Wat stond er in de brief?  Eerste alinea; neef J.S. van Naamen had overhaast moeten vertrekken omdat zijn zwager zwaar ziek was geworden. P.J. van Naamen vervolgt:” Ter gemoetkoming van deze onverwachte teleurstelling hopen wij het genoegen te hebben Ued met uw vrouw en kind des Zoomers eens te Scherpenzeel te zien, en het zal mij alsdan aangenaam zijn uwe gedachten te vernemen, omtrent de plaats hebbende verandering voor het Huis onder directie van Van Lunteren, welke zich echter tot het terrein, hetgeen gij kent, heeft moeten bepalen.”

De verandering van het terrein vond dus plaats in 1832 en het ontwerp dateerde misschien van een jaar eerder. Aangezien zoon Samuel geboren is 17 mei 1813 was hij in 1832 nog maar 19 jaar oud; het ontwerp moet dus op naam van zijn vader worden geschreven, alhoewel hij zijn vader mogelijk wel heeft geassisteerd.

Bron: gemeentearchief Nijkerk/Familiearchief Van Haersma de With.  nr. 3, in het bijzonder stukken betreffende de familie Van Naamen (zowel van de takken Van Eemnes als Van Scherpenzeel), benevens het gastenboek van de buitenplaats Zandhove bij Zwolle.

Met dank aan Joan Patijn, die deze brief tijdens een onderzoek tegenkwam.

Ontmoeting met tuinhistorica Cocki Cremers (5-09-1911 tot 2-07-1989)

Wapen van de familie Cremers, zoals werd opgenomen in het Stam- en wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familiën (1888).

Cornelie Marie Cremers was de dochter van Ernest Cremers (1870-1944) en Jkvr. Agnes Boreel (1880-1961).

Cornelie Marie (Cocki) Cremers werd 5 sept. 1911 geboren in Noordwijk aan Zee en woonde daar met haar ouders en vier broers in ‘Villa La Casetta’ aan de Zuid-Boulevard. In 1931 is het gezin verhuisd naar boerderij Kamphuizen in Vorden. Een jaar later, vertrekt Cremers (21 jaar oud) naar Den Haag om aan de Academie van Beeldende Kunsten te gaan studeren. Vanaf 1961 schiep zij op Schouwweg 82  in Wassenaar, een uitlopertje land van buitenplaats Oud-Wassenaar, haar eigen lusthof, nadat een bouwproject van architect Jan Buijs (ontwerp 1954 in Nieuwe Instituut Rotterdam) op een locatie aan de Leidsestraatweg te Wassenaar niet was door gegaan.

Op de website van Familie Steunfondsen staat achter haar naam het woord ‘archivaris’ genoteerd, maar zij zegt zelf in haar artikel ‘Verborgen Paradijzen’ (1980) dat zij als binnenhuisarchitect is opgeleid. Via het Personenoverzicht van het Haags Gemeentearchief bleek zij van 1932 tot 1936 ‘Meubelconstructie en Binnenhuiskunst’ te hebben  gestudeerd aan de Academie van Beeldende Kunsten aldaar. Studeren is voor meisjes uit haar kringen (zie familiewapen) vrij ongebruikelijk in die tijd, tenslotte het was nog de tijd van chaperonnes. Ook is bekend dat ze aan de Sorbonne colleges kunstgeschiedenis heeft gevolgd, evenals later colleges van H.J. Venema, hoogleraar plantensystematiek, dendrologie en plantengeografie aan de Landbouwuniversiteit.

In Wassenaar had zij haar eigen paradijsje gecreëerd. Een aangebouwde plantenkas stelde haar in staat alle mogelijke planten in vele soorten en variëteiten te kweken. O.a. had zij een grote verzameling vetplanten en 77 verschillende soorten Pelargoniums. Zelf beschreef ze deze tuin als volgt:

“Een voorbeeld van een kleine tuin in de stijl van [William] Robinson ligt in Wassenaar. Het terrein maakte oorspronkelijk deel uit van een veel groter landgoed {Oud Wassenaar}, waarvan nog enige verspreid staande zeer oude beuken en eiken stammen. Voor een deel bestaat de tuin uit zandgrond waarop voornamelijk heidesoorten en bodembedekkers. Achter het huis ligt een vijver die tezamen met twee grote linden op de oever, het uitgangspunt van de hele aanleg vormde. De tuin omsloten door bamboe en hulst, lijkt veel groter dan hij in werkelijkheid is, dankzij de hoge bomen en de bewust aangebrachte uitzichten.”

Eigenlijk was Cremers dus autodidact als het gaat om haar tuinkunst-capaciteiten. Ze was voornamelijk geïnteresseerd in de geschiedenis van tuinen, planten, bomen en de ruimtelijke indeling van een tuin. Door haar afkomst was zij kind aan huis bij vele Nederlandse en buitenlandse adellijke families, zodat zij een goede kijk had op het wel en wee van buitenplaatsen in het algemeen en plantenteelt en dendrologie in het bijzonder. Ik heb eind jaren zeventig met haar langs Duitse buitenplaatsen gereisd in het kader van een internationaal symposium (Fachtagung Sanierung und Rekonstruktion historischer Gärten, Schlosz Ludwigsburg 26 und 27 september 1978) en toen veel van haar geleerd, zowel op  kunsthistorisch als op plantkundig gebied. Ze kende in de ons omringende landen overal wel de specialisten en wist goed wat er  speelde, ook omdat zij op vele tijdschriften op het gebied van kunsthistorie en beplanting was geabonneerd.

Cremers stond bekend om haar indrukwekkende boeken-verzameling over historische buitenplaatsen, (tuin)kunst en architectuur. Haar boeken  en documentatie zijn nu eigendom van de na haar dood opgerichte Cremersstichting, die deze collecties in bruikleen heeft overgedragen aan de Stichting In Arcadië te Amersfoort. Enige jaren later verhuisden de Cremers-verzamelingen nog een keer, nu naar de bibliotheek van Stichting Erfgoed Landfort te Megchelen (gem. Oude IJsselstreek). De bibliotheek en studiezaal aldaar zijn voor professionele onderzoekers op aanvraag toegankelijk.

Ik leerde Cremers kennen in 1972, tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling ‘Nederlandse Buitenplaatsen bedreigd? Huizen, tuinen, bewoners (Museum Prinsenhof Delft). De catalogus staat op naam van R.-A. Leeuw en kent een aantal auteurs, onder wie C. M. Cremers die het hoofdstuk ‘De geschiedenis van de tuinen’ schreef. Ze kwam zich hiervoor onder andere orienteren op het Biohistorisch Instituut in Utrecht (later onderdeel geworden van het Freudenthal Instituut UU), waar ik toen werkte en ik maakte haar wegwijs in onze buitenplaatsen-index. Ook herinner ik mij dat ze zeer geinteresseerd was in onze kruidenboeken (o.a. Rembert Dodoens, Carolus Clusius, Otto Brunfels en Leonhart Fuchs), die toen deel uitmaakten van mijn onderzoek naar planten op schilderijen van de Vlaamse Primitieven.

Cremers had zich toen al jaren ook zelf als auteur gemanifesteerd. Hieronder volgen haar mij bekende publicaties, vanaf de eerste in 1943 en daarna enige korte artikelen uit het tijdschrift Floralia, algemeen Nederlands advertentieblad betreffende tuinbouw, bloementeelt, boomkwekerij, landbouw, veeteelt,  jacht, visscherij en fruithandel. Dit oudste Nederlandse Tuinbouwblad is in 1960 samengegaan met het toen nieuwe blad Groei en Bloei.

  • Reigersbergen en zijn bewoners. ’s Gravenhage, 1943. Cremers’ eerste publicatie werd uitgegeven onder eigen beheer. De buitenplaats Reigersbergen ligt aan de Leidsestraatweg in Den Haag, achter Huis ten Bosch en naast de buitenplaats Marlot. Het huis werd in 1942 afgebroken t.b.v. de Atlantic Wall. De inhoud betreft de bewonersgeschiedenis van Reigersbergen.
P.J. Lutgers. Reigersbergen. 1855. Afgebroken 1942 t.b.v. de Atlantic Wall

Als we nu bovenstaande publicaties bekijken, zien we dat Cremers in de jaren vijftig en zestig Floralia als lijfblad had. Eind jaren zeventig ging ze over op het Vakblad Groen. De onderwerpen beslaan drie richtingen, namelijk zowel wilde als gekweekte planten in binnen- en buitenland, buitenplaatsen en hun geschiedenis,  en behoud en beheer daarvan, hoewel dit laatste onderwerp niet aan de titels is af te lezen, maar wel heel duidelijk wordt als men de inhoud kent.

Cocki Cremers was een bevlogen, kundige, vrolijke, geestige dame. Ze werd nationaal en internationaal hogelijk gewaardeerd om haar expertise en passie voor het behoud van het groene erfgoed. Ze kende vele specialisten op dit gebied omdat zij bij bijna alle zich voordoende symposia en (werk)-colleges aanwezig was. Ze was nooit te beroerd om naar een tuin te komen kijken en adviezen te geven of om rondleidingen en excursies te organiseren, zowel voor particulieren als aan overheidsinstanties.

Cremers was aangesloten bij ICOMOS en IFLA en lid van de Royal Horticultural Society, de Garden History Society, de Alpine Garden Society en Council Member of the International Dendrological Society; in Nederland was zij een bekende en zeer gewaardeerde verschijning bij de Nederlandse Dendrologische Vereniging, en ook lid van o.a. Succulenta (Kon. Ned. Ver. van liefhebbers van cactussen en andere vetplanten), van de Nederlandse Tuinenstichting en van de Werkgroep 18e Eeuw.

Als slot dient nog te worden opgemerkt dat zij de geschiedenis en het behoud van de Nederlandse tuincultuur hoog in het vaandel had staan. Haar levensdoel was dit over te brengen op jongere generaties door hierover te publiceren en geïnteresseerden op alle niveaus d.m.v. excursies, bezichtigingen, ontmoetingen, gedachtenwisselingen etc. te overtuigen van de noodzaak hiervan.

Cocki Cremers is 2 juli 1989 overleden en begraven op Begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag, grafnummer 1134.

De Cremersstichting zal binnenkort een eigen website ter beschikking stellen.

Beeld van Chateau d’ Ostin met de karakteristieke Zocher-vijver (1855)

In het vakblad GROEN schreef ik een artikel over J.D. Zocher in België, getiteld  ‘Zoektocht naar Zocher in België’ (Vakblad Groen. Jg. 72 (maart 2016), nummer 3, p. 12-19).

Ik raad de lezers aan dit artikel eerst te lezen voordat u de nieuwe kaar

Onlangs kreeg ik van Madame Sabine Boucher, de weduwe van Hugues Boucher, eigenaar van Chateau d’Ostin (België, provincie Namen) het bericht dat zij twee nieuwe kaarten had ontvangen van de directeur van een antiekveilinghuis. Deze kaarten bevonden zich op de zolder van een kasteel dat toebehoorde aan een nakomeling van de heer t’ Serstevens, eigenaar van Chateau d’Ostin in 1855. Helaas zijn beide kaarten ongedateerd en ongesigneerd.

Eén kaart van Ostin rond 1825(?), getekend voor de eigenaar de heer Casimir de Brunet en zijn dochter Louise Alexandrine, wanneer tuin en park nog niet zijn aangelegd; en één van omstreeks 1855 (?). Hierop zijn de aanleg van J.D. Zocher jr. en de kassen, die rond 1843 door Baron Mertens zijn gebouwd, duidelijk te zien.

Casimir de Brunet en zijn dochter L. Alexandrine. Plattegrond van Chateau d’Ostin met omliggende landerijen. Moestuinen ten oosten van het kasteel. Ca. 1825 (?). Detail. Part. Coll. Chateau d’Ostin

Chateau d’Ostin met omringend park en tuinen. Het ontwerp van J.D.Zocher jr. Ca. 1855 (?). is duidelijk te onderscheiden. Part. Collectie Chateau d’Ostin

Ik herken de handtekening van Zocher jr. altijd aan de duidelijke M- of W-vorm van de waterpartijen die hij aanlegt. Ook op deze kaart is deze vorm heel bepalend.

Met dank aan Madame Sabine Boucher (Chateau d’Ostin) voor deze aanvulling op de Zocher-historie van Chateau d’Ostin, beschreven in het vakblad Groen in 2016.

Hebben de Zochers iets te maken met de ‘wandeling’ op de vestingwerken van Arnhem?

Hebben de Zochers iets te maken met de ‘wandeling’ op de vestingwerken van Arnhem?

Onlangs las ik op mijngelderland.nl een bericht over de sloop van de vestingwerken in Arnhem. Ik werd verblijd (of was het opgeschrikt?) door de mededeling dat de ontwerpen voor een ‘wandeling’ op de geslechte vestingwerken waren gemaakt door J.D. Zocher sr. en J. D. Zocher jr. Gedateerd  1792 en 1817/1819. Hoewel ik literatuur-verwijzingen vond naar S.J. Fockema Andreae (1925) en Wim Lavooij (1990), heb ik toch maar eerst eens het nieuwe standaardwerk van Sandra J. den Dulk, getiteld Verlangen naar groene wandelingen: de wording van het stadspark in Nederland 1600-1940. (Amsterdam, 2021) opgeslagen. Sandra zet helder uiteen dat het eerste ontwerp uit 1792, het ‘Plan der Glacien van Arnheim’ betreft, gemaakt door de tuinarchitect J.G. Michael.  Mogelijk werkte Michael in 1792 al samen met zijn schoonzoon J.D. Zocher (sr.), maar Michael was de oprichter en zeker ook het hoofd van hun samenwerkingsbedrijf. We zouden nu spreken van Bureau Michael. Het plan bleef in de la liggen totdat in de tijd van Koning Lodewijk Napoleon, tussen 1808 en 1810 de zaak weer opnieuw werd opgepakt. De vestingwerken werden nu geslecht op voorwaarde dat  er een openbare wandeling zou worden aangelegd  op grond van een goedgekeurd plan. Dit plan is waarschijnlijk gemaakt door de bureaugenoot en schoonzoon van J.G. Michael, J.D. Zocher sr., die intussen door Lodewijk Napoleon tot hofarchitect was benoemd. Vanwege de te hoge kosten is dot ontwerp ook niet uitgevoerd. Pas in 1817 werden de wallen uiteindelijk gesloopt. In dit jaar overleed J.D. Zocher sr. en werd zijn ontwerpbureau overgenomen door zijn zoon J.D. Zocher jr.

page240image2215235280Potloodtekening van het ‘Plan der Glacien van Arnheim’, Johann Georg Michael, 1792. Coll. Gelders Archief. Niet uitgevoerd.

Plan der te slegtene Buitenwerken van de Stad Arnhem, 1819. Tekening A (drien) Godefroij. Coll. Gelders Archief.

Of Zocher jr. de ontwerper is van het walplantsoen in Arnhem is onbekend. Er is een ‘Plan der te slegtene Buitenwerken’ getekend door de tekenaar Adrien Godefroij,  maar of hij in opdracht van Zocher jr. tekende is tot heden niet bewezen.

Eigenlijk dus niets nieuws onder de horizon. het is niet met zekerheid te zeggen dat Zocher jr. het plan voor de wandeling op de vestingwerken te Arnhem maakte. Ook Hugo Poortman zou m.i. de ontwerper kunnen zijn.

Carl Eduard Adolf Petzold (1815-1891) en zijn Handbuch

Wat heeft Carl Eduard Adolf Petzold (1815-1891 ) voor Twickel betekend?

 

Op Linkedin stond vandaag (2 juni 2025) te lezen:

“De vereniging Vakgroep Groen Erfgoed houdt op 10 oktober op Landgoed Twickel in Twente een studiedag over het werk van de befaamde Duitse tuin- en landschapsarchitect Eduard Petzold . Zijn landschapsparken behoren tot de fraaiste van Nederland.

Maar nu deze zo’n 150 jaar oud zijn, beginnen de bomen van de eerste aanleg af te takelen en moet dringend gewerkt gaan worden aan herstel. Het is daarom volgens de Vakgroep Groen Erfgoed (VGE) het goede moment om deze parken aandacht te geven wat betreft beleid en beheer.

In de vakgroep zijn professionele onderzoekers en planvormers op het gebied van groen erfgoed verenigd. De VGE staat voor kwaliteit van onderzoek en planvorming en tracht dat te bevorderen door uitwisseling van kennis en kunde”..

De aankondiging is vandaag ruim van te voren ‘verstuurd’. Tijd dus om tussen vakantie en zonnige stranden door wat te lezen over Petzold en zijn werk in Nederland. Vooral zijn handboek is nuttig om eens door te snuffelen omdat daarin zijn ideeën scherp worden verwoord. De tijd dat Petzold op Twickel werkte (1885-1891) viel samen met de voorbereingstijd tot de publicatie van het Handboek. Mogelijk heeft zijn ervaring op Twickel geleid tot aanbevelingen in zijn Handboek en kunnen we deze nu als beheer-adviezen van Petzold beschouwen.

Geschriften door Michael Rohde geschreven (1990-1998):

  • Die Tätigkeit von E. Petzold in Dieren. Hannover, (Scriptie) 1990. 
  • Michael Rohde. Eduard Petzold : Weg und Werk eines deutschen Gartenkünstlers im 19. Jahrhundert. Dissertatie, (Scriptie), 1998.
  • Michael Rohde. Von Muskau bis Konstantinopel: Eduard Petzold, ein europäischer Gartenkünstler, 1815-1891. Dresden, 1998.

Petzold’s Handboek (1862; 1888 2de druk) en ‘logboek. (1890)’:

  • C.E.A. Petzold. Die Landschafts-Gaertnerei : ein Handbuch fuer Gaertner, Architekten, Gutsbesitzer und Freunde der Gartenkunst. Leipzig, 1862, met tabel van bomen. Tweede druk 1888, opgedragen aan Sophie prinses der Nederlanden, dochter van Koning Willem II. Vermeerderd en verbeterd met uitvoerige behandeling van alle onderdelen van het landschapspark, zoals rotsen, wegen, beplantingen, water, weiden etc. Ook de betekenis van kleur van bomen en struiken wordt in dit boek uitvoerig behandeld. Abbildungen … von Friedrich Preller.
  • C.E.A.Petzold. Erinnerungen aus meinen Leben. Leipzig, 1890. Bevat 2 portr. van C.F.C. Petzold en 1 portr. van C.E.A. Petzold.

Artikel van Carla Oldenburger (1986):

Zijn bekendste ontwerpen staan hieronder vermeld (minder bekende in artikel hierboven genoemd).

  • Landgoed De Horsten, Wassenaar (exclusief de bekende Seringenberg die al van eerdere datum dateert), 1854, 
  • Landgoed De Paauw, Wassenaar, 1854, 
  • Landgoed De Raephorst, 1854, 
  • Landgoed Eikenhorst, 1854, 
  • Zypendaal Arnhem 1863, 
  • Huis Rhederoord, De Steeg 1868, 
  • Bingerden, Angerlo 1869, 
  • Hof te Dieren, Dieren 1870, 
  • Gulden Bodem Arnhem 1872, 
  • Wielbergen Angerlo 1872, 
  • Buitenplaats Oud-Wassenaar Wassenaar 1877, 
  • Kasteel Middachten, De Steeg 1878,
  • Landgoed Elswout Overveen 1882 (niet uitgevoerd), 
  • Landgoed Duinlust Overveen 1882, 
  • Kasteel Twickel Delden 1885-1891,
  • Landgoed Cingendael te Wassenaar 1888 (Park uitgevoerd door L.A. Springer en Rosarium niet gerealiseerd). 

Uit bovenstaande valt op dat De Horsten en de Paauw (alle te Wassenaar) Petzold’s eerste Nederlandse projecten waren (alle 1854) en dat hij in zijn nadagen pas op Twickel kwam te werken.

Foto: Zicht op kasteel en park Twickel met  Eduard Petzold. Bron: Gelders Archief